Home > Bomen en struiken > Edelspar
Edelspar
Klik hieronder om te zoeken in onze website
 Edelspar Abies procera
In de loop van zijn ontdekkingsreis in 1825 dwars door het tegenwoordige Oregon, ontdekte David Douglas een zilverspar. Deze spar, ontdekt in het bergmassief van de Cascaden, niet ver van de Columbia rivier, was zo mooi en majestueus, dat Douglas hem de naam Edelspar meegaf. Tegenwoordig noemt men hem ook Blauwspar of Oregonspar. Zijn natuurlijke verspreidingsgebied strekt zich buiten Oregon uit in een smalle strook tussen de staten Washington en Noord-Carolina met uitlopers naar Brits Columbia. In de bergmassieven van de Cascaden vormt hij gemengde bossen samen met Thuja plicata, Tsuga heterophylla, Pinus monticola en andere houtachtige soorten, op hoogten van 600 to 2600 meter. Hij werd in 1830 in Engeland ingevoerd. In de vrije natuur kan hij 600 jaar oud worden. De schors van de Edelspar is, Vooral bij be jaarde exemplaren, roodbruin gegroefd. De eivormige knoppen zitten verborgen in de naalden; ze zijn een beetje harsachtig en weinig zichtbaar. De naalden zijn scherp, blauw-groen, voor het merendeel omhooggebogen. Ze zijn minder lang dan die van de Coloradospar en volgen, alvorens omhoog te krullen, eerst de richting van de tak. Ze staan dicht en onregelmatig opeen. De mannelijke katjes zijn vaak rossig. De cilindrische kegels zijn bijna de grootste onder de zilversparappels (14 tot 25 cm lang en ongeveer 8 cm breed). Eerst zijn ze groen, later worden ze bruin-purper. Hun schutbladen zijn vrij opvallend, want ze zijn langer dan de kegelschubben en krullen eromheen. De zaden hebben een lengte van ongeveer 12 mm en gekartelde vleugels. De boom kan 80 meter hoog worden. De stam is slank. De kroon, eerst kegelvormig, wordt op oudere leeftijd platter. Hij heeft een grote esthetische waarde en men probeert hem, met name in Engeland, in de bossen aan te planten. |