Home > Bomen en struiken > Oosterse Levensboom

Oosterse Levensboom


Klik hieronder om te zoeken in onze website


              Oosterse Levensboom
Oosterse Levensboom
Thuja orientalis

Men brengt de Thuja orientalis soms onder in een apart geslacht, de Biota, omdat in vergelijking met de oorspronkelijke Thuja de kegels vleziger zijn en de zaden geen vleugels hebben. De twijgen zijn in het algemeen verticaal, bijna gelijk van kleur (onder en boven). De schors is dun, rood-bruin en schilfert in repen van de oudere stammen af. De schubvormige blaadjes zijn de kleinste van alle thuja's: ze zijn smal, heel puntig en hebben geen waslaagje. Op de zitakken zitten ze dicht tegen elkaar aan; op de hoofdtakken eindigen ze in een uiteenstaande punt. De kegels zijn eivormig, 1,5-2,5 cm lang: eerst vlezig, blauwachtig van kleur. Later verdrogen ze. Gewoonlijk hebben ze 6 kegelschubben, die ieder eindigen in een gekromde doorn. Achter ieder schub zitten 2 zaden. De Oosterse levensboom is wijd verbreid in China en Korea. Hij werd in Europa (Leiden, Nederland) in 1690 ingevoer, maar de uitgebreide aanplant dateert pas van midden 19e eeuw. In het oosten daarentegen wordt deze houtachtige soort al sinds jaar en dag vooral in de Japanse tuinen gekweekt. In Europa is hij zeer geliefd voor toepassing in tuinen in het oostelijk mediterrane gebied en in de landen aan de oevers van de Zwarte Zee. Hij is minder sterk in West-en Noord-Europa, waar hij vaak werd vervangen door de Westerse levensboom. Het hout is stug en geurig, maar de exploitatie is niet rendabel omdat hij maar een dunne stam heeft. Hij is geschikt als hakhout of struikgewas. Hij heeft meer stammetjes, 5 tot 15 meter hoog.