Home > Bomen en struiken > Westerse Levensboom
Westerse Levensboom
Klik hieronder om te zoeken in onze website
 Westerse levensboom Thuja occidentalis
De Westerse levensboom is waarshijnlijk de meest verspreide Amerikaanse houtachtige soort in de parken, tuinen en op de kerkhoven in Europa. Dat is ongetwijfeld te danken aan het feit, dat hij zo vroeg in Europa ingevoerd is. Het is een van de houtachtige gewassen, die vanuit de Nieuwe Wereld in Europa geimporteerd is (waarschijnlijk in 1536 in Frankrijk). Oorspronkelijk kwam hij alleen voor in de bossen van Noord-Amerika, in Nova Scotia en Manitoba tot het Appalachengebergte, in Virginia, Carolina en Illinois. Het is een waterminnende soort, die op modderige, alluviale grond groeit. In homogene bestanden, of gemengd met eiken, esdoorns, zwarte sparren, en gele berken. Voor de aanplant in Europa moet men zijn voorkeur voor vochtige bodems niet vergeten. Deze soort Thuja occidentalis is vrij gevarieerd, er worden snel tuinvormen gekweekt die in hoogte, kleur en bladerdek kunnen verschillen. De Westerse levensboom verschilt van andere soorten vooral door de kegels: als ze rijp zijn, gaan ze aan de top open. De zaden hebben twee vliezige, smalle richeltjes. De schors van de Westerse levensboom is roodbruin en schilfert in lange repen af. De twijgen zijn plat, donkergroen van boven, lichtgroen aan de onderkant. Het blad is schubbig, scherp, hoekig in het jeugdstadium, op de hoofdtak. Op de zijtakken zitten ze met tussenruimte, tegen de tak gedrukt. Ze dragen harskorrels, die goed zichtbaar zijn. De langgerekte kegeltjes zijn ongeveer 8 mm lang, lichtbruin. Ze hebben 8 tot 10 kegelschubben. Het hout is veel gevraagd. Het krimpt niet en het wordt gebruikt voor de scheeps- en waterbouw. De boom kan een of meer stammen hebben, heeft een eivormige top en uitgespreide takken. Hij kan 20 meter hoog worden. |