Home > Bomen en struiken
Bomen En Struiken
Klik hieronder om te zoeken in onze website
Bomen en struiken
Vanaf het eerste contact wekken de houtachtige soorten en vooral en bomen onze belangstlling door hun stengels, stam, kroon en takken, kortom, door het geheel van bovengrondse delen. Door hun majestueuze schoonheid en ornamentale pracht moet de mens zich vaak gewonnen geven: hun architectuur overtreft de zijne. Hoeveel werken, uitgedacht en opgericht door de mens zouden kunnen wedijveren met bomen, zowel in functioneel als in esthetisch opzicht? Het zijn dus de uiterlijke kenmerken van de soort in zijn geheel, die in de eerste plaats onze aandacht gevangen houden. De opbouw van de kroon van elke soort beantwoordt aan zeer strenge erfelijke regels, hoewel de uitwendige ecologische invloeden belangrijke veranderingen in de uiteindelijke vorm van ieder exemplaar afzonderlijk kunnen veroorzaken. Men kan dus vaststellen, dat de stengel (een term, die hier alle bovengrondse delendie de voedingsorganen, wortels en bladeren, verbinden, omschrijft), het meest buigzame en het meest veranderende deel van het gewas is. De houtachtige soorten zijn gewassen waarvan de stengels en de wortels houtachtig zijn. Zij leven soms tientallen jaren lang, brengen vaak vruchten voort en hun stammen hebben in het algemeen een uitgebreid takkenstelsel. Naar hun groeiwijze kan men ze indelen in verscheidene grondvormen: - Boom (arbor): houtachtige soort, warvan de stam (truncus) geheel verhout is en aan het onderste stuk geen takken heeft. Hij vertakt zich en vormt dan een kroon. De gemiddelde hoogte van de soorten dient ook als beslissend kenmerk van rangschikking. De soorten die opschieten tot 7 meter hoog. worden bompjes genoemd; degene die een hoogte bereiken van 7 tot 15 meter noemen we bomen; van 15 tot 25 meter, middelgrote bomen en van 25 tot 50 meter grote bomen. Tenslotte de hele grote bomen, die hoger zijn dan 50 meter. - Houtachtige slingerplanten (liana): een houtachtig gewas, dat een geheel in houtvezel omgezette maar buigzame stengel heeft, doch niet beschikt over holdoende eigen kracht om omhoog te schieten zonder hulp van een steuntje of een "beschermer". Hij hecht zich dan aan zijn steunsels, hetzij met ranken (zoals de wijnstok), hetzij door vergroeiing met hechtwortels (zoals de klimop), vast. Hij kan ook steun zoeken bij een buurgewas met behulp van zijtakjes of doornen (zoals bij sommige rozen). De elders groeiende lianen (epiphyten) klimmen omhoog door zich om hun beschermheer te kronkelen (zoals de kamperfoelie). - Heester (frutex): een houtachtige soort, waarvan de stengels geheel verhout zijn en die zich vanaf de voet vertakt (bijv. de sleedoorn). De verschillende vormen van vertakkingen brengen verschillende typen heesters voort: met een of meer twijgen of als struikgewas groeiend. - Half-heesters: een plant, waarvan alleen de onderste stukken van de twijgen verhout zijn: de bovenste delen die voor de bloeimoeten zorgen, blijven kruidachtig (het zgn. bloeihout): zie de heesterpioen. De vertakking is een natuurlijke eigenschap van de twijgen van houtachtige soorten: door middel hiervan maken ze zo goed mogelijk gebruik van de ruimte en kunnen ze hun hele bladerdek voor de zon uitspreiden. De takken groeien vanuit knoppen aan de "moedertwijg". De knoppen zijn belangrijke uitwassen, die in aanleg de toekomstige twijgen en bladeren bevatten. Zij zijn tegen weer en wind beschermd door schubben. De knoppen van de houtachtige soorten groeien bij uitzondering onbedekt zoals bij de aneeuwbal of half-bedekt zoals bij de vlier. zij zitten aan het eind van de takken (eindknoppen) of opzij aan de twijg in de oksel van de bladeren (zij - of okselknoppen). De houtachtige, bedektzadige soorten hebben achter bijna ieder blad een okselknop, terwijl de naaktzadigen (coniferen)er in maar weinig bladoksels een hebben. De knoppen spelen een belangrijke rol bij de houtachtige soorten: zij hebben een beschermende fouctie en zijn de oorsprong van de nieuwe twijgen. Door uit te gaan van hun stand aan de moedertwijgen kun je zien op welke wijze de takken zich zullen ontwikkelen. 's Winters kun je hieraan zien met welke soort je te doen hebt, wanneer de bomen op hun eigen manier hun blad hebben laten vallen. In het algemeen staan de knoppen als volgt aan de takken: verspreid, tegenoverstaand of kransstandig. Behalve deze knoppen kunnen zich adventiefknoppen of vervangingsknoppen vormen. Bij de houtachtige soorten kunnen "slapende" knoppen ontwaken in geval van beschadiging aan de boom: ze vormen dan de zeer karakteristieke groeisels. De slapende knoppen kunnen wel 100 jaar worden bij houtachtige soorten die een lang hebben zoals eiken of beuken. Maar niet alle knoppen worden twijgen of takken. Die niet zijn uitgekomen, kunnen zich transformeren in "slapende" knoppen. Het grootste deel van de houtige gewassen heeft hoofdzakelijk twee vormen van takkn: hun aantal en hun plaatsing bepalen de bouw van de kroon: de lengtetakken of macroblasten zijn lange loten, die lange tijd doorgroeien; hun geledingen zijn heel lang en de zijknoppen bevinden zich op een grote afstand van elkaar. Ze groeien gewoonlijk vanuit eindknoppen en maar zelden uit zijknoppen. Deze takken zitten bij bijna alle jonge en enkele volwassen, houtachtige soorten aan de aanzet van de kroon: bijv. Bij de brem en enkele wilgensoorten. - De kleine verkorte takken, takkn met een beperkte groei of brachyblasten hebben korte geledingen: vaak enkele tientallen millimeters. Hun oppervlak is erg ruw (bijv, bij de Ginkgo). De ruwheid is ontstaan door de littemens afkomsti van frgevallen schubben en bladeren. De takken hebben vaak maar een eindknop, waaruit een korte geleding groeit. De brachyblasten leven verscheidene jaren, zo'n 10 tot 16 jaar, in elk geval minder lang dan de macroblasten. Vaak hbben de brachyblasten een speciale bestemming: bij de larixen, ceders en pijnbomen dragen ze bosjes naalden: bij de appel- en perebomen en de overige rosaceae hebben deze alleen bloesems. Bij somige andere houtige soorten zoals de sleedoorn zijn de doornen vervormde brachyblasten. Alle scheuten vertakken zich over het algemeen op twee manieren: de eindknop verlengt de moedertak zo, dat deze de hoofdtak wordt. Uit de zijknoppen hiervan groeien dan de zijtakken, die buigzamer zijn en niet langer worden dan de hoofdtak. Deze vorm van vertakking, druifvorming genoemd, is normaal voor alle harsachtige soorten, die een piramide- of kegelachtige kroon hebben. De zijtakken zijn sterker en langer dan de hoofdtak, zoals bij de witte kastanje. Dit soort vertakking noemt men topvertakking; deze heeft verschillende variaties. Soms groeit de secundaire tak zo uit, dat de hoofdtak opzij geduwd wordt. Het eindresultaat lijkt op een kroon uit een tak, maar de stam- of moedertak wordt in werkelijkheid gevormd door achtereenvolgens op elkaar geplaatste takken, Deze vorm van vertakking noemt men sympodium (samengestld voetig). Bij de eerste oogopslag zien we dat deze typen vertakking van elkaar verschillen door de stand van hun bladeren een zijtakken. Terwijl bij de kroon, gevormd uit een tak, de zijtakken groeien vanuit bladoksels, groeien in het andere geval de zijtakken, die in werkelijkheid opzij geduwde hoofdtakken zijn, tegenoverstaand aan het blad. dit type vertakking is karakteristiek voor de linde, de olm en de haagbeuk. De vertakking van stammen en de verschillende kleine takken, de hoek van de takken, de dikte van de binnenste of buitenste takken bepalen de definitieve stijl van dat houtachtige gewas en zijn kroon. Overigens probeert de houtachtige soort altijd een maximum aan licht op te vangen. De definitieve vorm van de kroon wordt niet alleen bepaald door anatomische en morfologische (morfi=vorm) eigenschappen van de plant, maar ook door de invloed van factoren van buitenaf en boven alles van het licht en de wind. De landplanten en vooral de harsachtigen houden van licht. De lichtsterkte brengt verschillende deformaties van "ideale" kronen teweeg. We kunnen in dat verband noemen: de eenzijdige overhangende kronen aan de zoom van het bos, of het effect dat de weerkaatsing van het licht op een groot wateroppervlak heeft op elk gewas. De kroon van talloze harsachtigen vormt een gewelfd en aflopend oppervlak. Dat is de reactie van een gewas op het licht van de zon bij zijn groei: hij strekt zich uit om de beste voorwaarden te scheppen er zo goed mogelijk van te profiteren. Wanneer meer houtige soorten in een groepje bijeen staan, reageren ze op het licht alsof ze een plant zijn. Het effect van het zonlicht verandert ook per breedtegraad: hoe verder de afstand tot de evenaar, hoe boller het opper vlak van de kronen wordt. Ze wenden zich altijd naar de zon, naar het zuiden in het Noordelijk halfrond en naar het noorden in het Zuidelijk halfrond. De vervormingen van de "ideale" kroon zijn, behalve door het verschil in lichtsterkte, veroorzaakt door de wind (vooral uit een bepaalde richting zoals de zeekust of in een hooggebergte, waar men dan "waaibomen" kan aantraffen) of door de schaduw van andere bomen. De hoek van inclinatie van de aarde en de kromming van de zonnestralen kunnen ook vervormingen teweeg brengen. Het merendeel vande ontstane vervormingen heeft alleen betrekking op alleenstaande harsachtigen. zodra de houtachtige soorten in een gesloten formatie groeien, reageren zij voor alles op de concurrentie met de omringende houtachtige soorten. We spreken alleen van kroop of kruin met betrekking tot een boom. Bij heesters die geen kroon hebben, spreken we van habitus. De kroon van een boom wordt gevormd door een stelsel van takken die vanuit de stam groeien. De samenstelling: - takken, die de structuur van de kroon bepalen. Het betreft vrij grote, sterke takken, die in de langt groeien uit groeischeuten. - Opvullende takken, dwarsscheuten, die de kroon "versieren". Zij vervullen zowel de groeibevorderende als de voortplantingstaak en bezetten ongeveer elk plekje van het kroonoppervlak. De kronen van de verschillende houtachtige gewassen vertonen een variabele dichtheid naar soort. Deze dichtheid van heel gering zijn, zelfs in het bladerdek, bijv. bij de Christusdoorn of juist erg vol, bijna ondoordringbaar voor zonnestralen, als het bladerdek volledig uitgegroeid is 's zomers (bij beuk en linde). Als de onderstam langer is dan de kroon spreken we van een hoggedragen kroon, als deze korter is van een laaggedragen kroon. Dit kenmerk hoort niet bij een bepaald houtachtige gewas, maar wordt vaak veroorzaakt door invloeden van buitenaf: of het alleen of in een groepje (bij dennen of beuken). We gebruiken geometrische termen bij het vaststellen van de vorm van de kroon: kegelvormig, piramidevormig, cilindrisch, zuilvormig, eivormig, ellipsvormig of bolvormig. In sommige gevallen neemt men zijn toevlucht tot meer bijzondere benamingen: parapluvormig voor de den, treurend voor de treurwilg, golvend ("waaibomen") door de invloed van de wind; met gescheiden of gecombineerde etages, waardoor het lijkt of er verschillende kroontjes op elkaar staan, zoals bij sommige oude eiken. Evenzo kan de habitus (uiterlijk) van heesters eivormig, bolvormig, hangend, uitgestrekt, gericht, hechtend, gebundeld zijn of nog meer ongewone vormen hebben. Voor de houtachtige gewassen in de gematigde zone (waarover het voornamelijk gaat in dit boek is de constructie van de kroon niet erg ingewikkeld, hoewel er op het eerste gezicht soms veel verschillen zijn. De opbouw en aanleg van de kronen bereiken hun grootste ontwikkeling in de tropen. De grondcriteria van hun klassificatiesysteem zijn erg eenvoudig. Zijn de scheuten vertakt, zoals bij meerassige houtige gewassen of niet vertakt, zoals bij de eenassige soorten? Betreft het een hoofdas of met een samengestelde stam? Groeit het gewas in een bepaald ritme van groei- en rustperioden of ononderbroken? Hoe is de plaatsing van de bloemen, aan het eind of opzij van de tak? En de bloeitijd? Natuurlijk komt elk van deze karakteristieken alleen voor in combinatie met andere. Zo is de schaal van modellen in de opbouw van kronen ontstaan. Deze modellen dragen de naam van wie dit hebben vastgesteld: model Cook, Prevost. Hoewel deze recente klassificatie (pas in 1978 gepubliceerd) voral betrekking heeft op de tropische soorten, kunnen sommige soorten uit de gematigde streken hier ook onder vallen. Een hele serie harsachtigen bijvoorbeeld correspondeert met het model Massart (sparren, taxus) het merendeel der dennen, met inbegrip van de grove den, evenals de elzen, eiken en iepen, correspondeert met het model Rauh. Het gaat zelfs op bij andere loofbomen, zoals beuken, linden, linden, olmen, die corresponderen met het model troll, terwijl een aantal heesters, zoals de vlier, groeit volgens het model Champagnat. De wortels, bijna verborgen voor het menselijk oog, vormen een belangrijk orgaan van de houtachtige gewassen. Ze zijn afhankelijk van veel factoren: ze ondergaan ook de invloed van de omgeving, maar worden hierdoor meer misvormd dan de bovengrondse delen door de uitwendige invloeden. Het wortelstelsel houdt het gewas vast in de grond en put daaruit voedingsstoffen. Al naar gelang het verschil in soorten en hun wortelstelsel, kom je twee typen beworteling tegen: bij een diep wortelend stelsel gaat de penwortel verticaal diep in de grond (de lengte daarvan kan soms de hoogte van het bovengrondse deel evenaren, bijv. bij de zomereik). Bij een minder diep wortelend stelsel groeien de wortels horizontaal dicht onder de oppervlakte, zoals bij de sparren. De bomen met een diepe beworteling waaien niet zo gauw om bij storm, bij de vlak wortelende kan dat wel. Naar hun uiterlijke kenmerken kunnen we de wortelstelsels in drie typen onderverdelen. Ten eerste: de voornaamste verticale wortel is het best ontwikkeld. Gewoonlijk vrij sterk, dringt hij zo diep mogelijk verticaal in de grond. Ten tweede: een aantal gelijkwaardige wortels dringt in de diepte hetzij verticaal het zij schuin (er is hier geen sprake van een hoofdwortel): dit stelsel noemt men wel hartvormig. Ten derde: vele gelijkwaardige wortels breiden zich horizontaal uit, dicht onder het aardoppervlak. Type een en twee staan stevig, de derde wortelt niet erg diep en is dus onstabiel. Maar de wortels gedragen zich niet altijd volgens deze klassificatie, zoals adventief (bij-) wortels, die zijdelings aan de voet van de stam ontspruiten, schuin in de richting van moerasachtige gronden (els); en de steltwortels van de Mangrove. Ook de hechtwortels (radix alligans) zijn adventiefwortels, die slingerplanten bevestigen aan hun steunoppervlak. Een aparte groep wordt gevormd door de luchtwortels, die vrij in de lucht groeiend de ondergrondse delen voorzien van zuurstof (bij de Taxodium distichum). Bij sommige houtachtige soorten gaat het wortelstelsel een samenlevingsverband (symbiose) aan met het mycelium van een paddestoel of met bepaalde micro-organismen. Men noemt dit mycorhize. Dit is bekend van berken, eiken, iepen, dennen, heide en van een hele reeks heesters. De paddestoelen en de wortels van de hogere gewassen leven in nauwe symbiose, wat heilzaam is voor beide organismen. Naar de uiterlijke kenmerken kunnen we de micorhiza onderverdelen in ectomycorhiza - de schimmeldraden van de paddestoelen omhullen de wortels, met een beschermend laagje en endomycohiza: de schimmeldraden van de paddestoelen bevinden zich binnenie de plantgastheer. De houtachtige gewassen kennen voornamelijk het eerste type. Deze verbinding kan men in een oogopslag zien: bepaalde soorten paddestoelen groeien alleen bij bepaalde bomen. De coexistentie van de paddestoel met het houtachtige gewas is niet alleen nuttig voor beide gewassen, maar ook voor de mensheid: je kunt inderdaad constateren, dat waar onder invloed van de beschaving de paddestoel te ruggedrongen is, het beboste oppervlak ook minder geworden is. Om technische redenen zijn de verschillende systemen van beworteling niet zo goed onderzocht als de bovengrondse delen, wat niet belet voldoende karakteristieke typeringen te vinden voor de verschillende soorten. Sommige gewassen, met name heesters, vormen gewoonlijk groepen, die zich verspreiden vanuit een exemplaar, terwijl de boven- en ondergrondse delen zich richten naar een klassiek patroon. Ze verspreiden zich op een zeer dynamische manier: vanuit adventiefknoppen (broed- of bijknoppen) brengen ze nieuwe, stevige bovengrondse scheuten voort, die men aan de buiten kant niet kan onderscheiden van de scheuten die gegroeid zijn uit een zaadje. De zo ontstane groepen beslaan een groot oppervlak. Aan de buitenkant lijken ze op een groep, die tevens gevormd is door meer enkelingen, hoewel het in werkelijkheid een enkel exemplaar betreft. Men duidt deze groeperingen aan met de term polycormoon: enkele rozensoorten behoren ertoe.
Soil Injection en Grondinjectie , Grondstabilisatie, vochtwering, bodeminjectie |