Home > Bomen en struiken > Doodsbeenderenboom
Doodsbeenderenboom
Klik hieronder om te zoeken in onze website
 Doodsbeenderenboom Gymnocladus dioicus
De doodsbeenderenboom is zowel 's zomers als 's winters opmerkelijk. Gedurende de groeiperiode vallen vooral de enorme bladeren op (35 cm), dubbelgeveerd, bestaande uit vele paren kleine geveerde blaadjes; Deze kleine blaadjes zijn ellipscormig, puntig, afgerond aan de voet. Het blad valt gewoonlijk af. 's Winters steken zijn takken, ontdaan van bovenstaande kleine zijtakjes, kaal de ruimte in. Deze hoedanigheid heeft hem zijn wetenschappelijke naam bezorgd: het Griekse woord gymnos betekent kaal en klados: tak. De bloemen van deze boom zijn tweehuizig of meerslachtig, mannelijk en vrouwelijk. De vrouwelijke bloeiwijzen kunnen 25 cm lang worden, de mannelijke zijn veel kleiner en compacter. De wit-groenachtige bloemen gaan al in april open. Soms bloeit deze boom in koudere streken sommige jaren niet. De vruchten zijn langwerpige, 25 cm lange en 6 cm brede peulen. Het hout is hard. Het geslacht Gymnocladus heeft maar twee soorten: de Gymnocladus dioicus, die thuis hoort in Noord-Amerika (hij groeit in een gebied, dat de tegenwoordige staten New York, Pennsylvania, Minnesota, Nebraska, Oklahoma en Tennessee omvat). Bovendien wordt hij sinds 1748 in Noord-Amerika gekweekt. Hoewel de vorm van de kroon mooi zou passen bij moderne bouwwerken, wordt hij niet vaak gekweekt. Een nauw verwante soort is de Gymnocladus chinensis, de Chinese doodsbeenderenboom. Deze is niet goed bestand tegen lage temperaturen en vordt dan ook nauwelijks gekweekt. De doodsbeenderenbomen zijn krachtige bomen met een brede kroon, die 30 m hoog worden. |