Home > Bomen en struiken > Het leven van een boom
Het Leven Van Een Boom
Klik hieronder om te zoeken in onze website
 Het leven van een boom
De houtachtige soorten zijn over het algemeen omvangrijk, vooral de bomen. Ze zijn houdersvan talrijke records: ze horen bij de grootste levende organismen van onze aarde. De Eucalyptusbomen in Australie zijn tientallen meters hoog, de Sequoia's in Amerika en bomen van dezelfde familie zijn vaak meer dan 100 meter hoog. Hiermee vergeleken zijn de houtachtige soorten in Europamaar "boompjes". Bomen onderscheiden zich ook van de andere soorten door hun levensduur. Er zijn zoveel honderdjarigen, dat we ze niet meer allemaal kunnen tellen. Vijfhonderdjarigen zijn al minder talrijk. In Europa zijn dit over het algemeen eiken. Maar er bestaan bomen die nog veel langer leven. Heel lang heeft men gedacht dat Sequoia's het langst leefden. Ze kunnen 2000 jaar worden. Deze bomen, die nu nog bestaan, zouden de geboorte van Christus hebben "gezien", het begin van het Christelijk tijdperk en het einde van het Romeinse keizerrijk, Als deze gebeurtenissen plaats hadden gehad op het Amerikaanse Continent. Maar ondanks dat zijn het niet de oudste bomen. Het record is bereikt door de Pinus aristata, Een dennensoort, Eenheel bescheiden boom, die in de droge streken van de V.S. groeit. Men heeft zijn leeftijd geschat op 4000 tot 4700 jaar! Het leven van iedere boom begint bij het versmelten van een mannelijke cel met een vrouwelijke, waaruit het embryo van zaad en eicel ontstaat. Maar om zover te komen was het nodig dat de voorgaande generatie tot bloei kwam. Bloeien is een heel belangrijke uiting van het leven van de hogere gewassen en brengt altijd nieuw inzicht in de biologie met zich mee. Men begint in te zien, dat de traditionele classificatie van de houtachtige soorten in windbestuivers en insectenbestuivers niet meer voldoet, net als de onderscheiding in eenhuizig en tweehuizig. Bij een nader onderzoek constateren we de verschijning van nieuwe uitzonderingen: de hoedanigheid van de bloei verandert niet alleen door externe voorwaarden, maar ook door de leeftijd van de boom. We kunnen bijvoorbeeld de bloemen van de esdoorn noemen, die gewoonlijk worden beschouwd als tweehuizig, hoewel men bloemen heeft gevonden met verschrompelde meeldraden en bloemen met een weinig ontwikkelde stamper, dus mannelijk en vrouwelijk. Evenzo heeft men in de bloeiwijze van de katjes van wilgen, Mannelijke bloemen temidden van vrouwelijke en omgekeerd gevonden, met name bij de grauwe wilg (Salix cinerea). Dennen hebben in de eerste jaren van hun bloei vaak alleen maar vrouwelijke bloemen, terwijl de mannelijke bloemen pas veel later verschijnen. De vorming van bloemen is nauw verbonden met de leeftijd en de rijpheid van de boom, met invloeden van buitenaf en met de conditie van iedere boom op het ogenblik dat hij zich voorbereidt op de bloei. In het algemeen staat het vast, dat een droog, warm klimaat vlak voor de zomer, in juni, gunstig is voor de bloei van het volgend jaar. Dat is vooral waardevol voor vruchtbomen en voor die bomen, die niet regelmatig elk jaar bloeien, zoals de beuk. Veel bomen horen bij de windbestuivers. Dat kan men zien aan een overproduktie van stuifmeel, wat heilzaam is voor de bomen. Coniferen bijvoorbeeld produceren wel vier keer zoveel stuifmeel als nodig is. De windbestuivers bloeien al heel vroeg in de lente, ruim voor het verschijnen van de bladeren, zodat de wind, die het stuifmeel vervoert makkelijker kan doordringen in de boomkruinen, zelfs in een dicht bos. De vrouwelijke kegels van coniferen bevinden zich in de bovenste delen van de kroon en de mannelijke meer naar beneden, wat door de wind verplaatste stuifmeelwolken in staat stelt de boom werkelijk uit te "kammen" en zo de vrouwelijke bloemen te bevruchten. Maar op zichzelf is de overproduktie van stuifmeel niet voldoende voor de vorming van zaad. Dat hangt nog van tal van andere externe factoren af, zoals vorst. Het ontkiemen kan zelfs worden verhinderd door onweer in de lente met z'n electrisch veld. Bij enige houtachtige soorten (dennen) verloopt er een betrekkelijk lange tijd tussen bestuiving en bevruchting. De ontwikkeling van de kiem eindigt na een periode van meer dan een jaar en de kegels rijpen pas na 2 of 3 jaar. De ontwikkeling van de zaden hant ook af van langdurige droogte in de zomer, waardoor een vroegtijdige val kan plaatsvinden. Een groot aantal soorten bloeit niet elk jaar en de ruimte tussen de bloeiperioden kan meer of minder lang zijn. Bomen die elk jaar bloeien zijn o.a. de berk, de haagbeuk en de lijsterbes. Bij dennen en sparren is dit om de 3 a 4 jaar het geval. Bij de eik is de tussenpoos 5 a 6 jaar; bij de beuk 6 tot 8 jaar. Deze indicaties zijn geen absolute waarden, er zijn veel uitzonderingen op. Maar ze zijn van belang voor ieder, die zich bezig houdt met bossen of nieuwe aanplant voor bossen en tuinen. Nu in de laatste jaren de algehele vervuiling van onze planeet alleen maar toeneemt, zien we, dat de tussenpoos tussen twee perioden van zaadvorming ook groter wordt. In de meest uitgesproken vervuilde gebieden de bomen niets meer sinds meer dan 10 jaar. Toch is de hoeveelheid zaad heel belangrijk voor de instandhouding van de soort. De hoeveelheid per soort loopt sterk uiteen: op 1 hectare produceert een dennebos meer dan 2.000.000 zaadjes, eiken daarentegen op de zelfde oppervlakte maar 230.000! Deze gegevens uit Oost-Europa en Azie zijn natuurlijk globale schattingen, maar niettemin interessant. Zelfs als het zaad rijp wordt en boom valt is het proces nog niet op gang gebracht. Het nieuwe leven kan pas ontkiemen in gustige omstandigheden. Het kiemvermogen van een zaad hangt voor alles af van zijn rijpheid. Sommige zaden zijn onmiddellijk na rijping in staat om te kiemen (populier, Wilg, olm), terwijl andere nog een groeibevorderende rustperiode in gunstige omstandigheden nodig hebben om te kunnen ontkiemen. Deze groeibevorderende rustperiode, vaak veroorzaakt door belemmerende factoren, is een beschermende maatregel, die het ontkiemen in de best mogelijke omstandigheden verzekert. Bij berken kiemen de eerste vroegrijpe zaden onmiddellijk, terwijl de latere onge veer 6 maanden blijven "rusten" en gunstige voorwaarden in het komende jaar afwachten. Andere soorten produceren zaden die een groeibevorderende rustperiode van meer dan een jaar in acht nemen: de zaden van taxus kiemen, als ze niet onmiddellijk na hun rijping gezaaid worden, pas na een periode van 2 tot 4 jaar. De houtachtige soorten handhaven zich en planten zich in de natuur het meest voort langs generatieve (geslachtelijke) weg. Maar soms kunnen we een wijze van voortplanten waarnemen, liever gezegd een vermeerdering, langs ongeslachtelijke (vegetatieve) weg. In CentraalEuropa bijvoorbeeld planten wilde roosjes zich vaak voort door het water, omdat periodieke overstromingen hele stukken begroeiing losrukken, zodat zij zich verderop in rustiger oorden kunnen vestigen. Je kunt het vergelijken met de ongeslachtelijke voortplanting van houtige gewassen op lawinehellingen in het hooggebergte. Bij andere soorten kun je zo naar de grond gebogen takken aantreffen, dat ze beginnen te wortelen (Jeneverbes). Je kunt ook de opslag gebruiken voor vermeerdering zoals bij wilgen. Het plantje, dat nauwelijks ontkiemd is, draagt in zich al de kenmerken die karakteristiek zijn voor deze soort planten. Bladdragende soorten zijn tweezaadlobbigen. Dus zien we aan het ontkiemende zaad in de eerste plaats de twee kiemlobben en vervolgens de aanzet tot de echte bladeren. De eerste bladeren van sommige soorten zijn vaak heel verschillend van de latere. Bij de soorten met samengestelde bladeren zijn de eerste bladeren soms gaaf en nog niet gedeeld, zoals bij de roos. De harsachtigen hebben soms een groot aantal primaire "blaadjes"; de dunne naaldjes zijn karakteristiek voor de jeugdperiode van de kegeldragers, zelfs bij die waarvan de definitieve bladeren eerder geschubd zijn (Thuja). De jonge boom die opgroeit in normale omstandigheden, onderscheidt zich door een intensieve groei in de hoogte. De groeiwijze van bepaalde soorten in hun vroege jeugd is vaak heel kenmerkend voor elke soort, zowel wat het uiterlijke aspect als wat de snelheid betreft. Tijdens de eerste 10 jaar van hun leven zijn in Europa de berken en de elzen de snelst groeiende bomen. Iepen, linden, eiken, lariksen en dennen groeien minder snel, terwijl beuken en sparren heel langzaam groeien. Van de Europese houtachtige gewassen is de taxus in zijn jeugd de boom die zich het langzaamst ontwikkelt: Na 10 jaar is hij nog maar 75 cm hoog, terwijl de sparin diezelfde tijd 95 cm, de beuk 180 cm, de eik 270 cm, de esdoorn 280 cm, de iep 285 cm, de den 300 cm, de lariks 340 cm, de linde 350 cm en de els 400 cm lang geworden is. De lengtegroei hangt niet enkel af van het type boom: het verandert niet alleen gedurende het hele leven maar ook in de loop van een jaar. De houtige gewassen zijn volgens hun groeiverloop in de loop van het jaar in te delen in periodiek en ononderbroken groeiende soorten. Maar de voorwaarden voor deze laatste soort zijn zelden aanwezig. We vinden voorbeelden ervan in het vochtige tropi sche woud. De soorten met een periodieke groei schieten het snelst op in mei en juni. Tijdens deze periode zijn sommige soorten in staat 1 tot 3 cm per dag te groeien. Dan zuigen ze ook het meeste water op. Deze intensieve groeiperiode duurt niet lang: In het algemeen 2-3 weken. Het grootste deel van de nieuwe scheuten vormt zich ook in die tijd. De soorten in de geematigde zone kennen voor het merendeel een jaarlijkse groeiperiode met een piek: beuken, iepen, sparren. De lengte van de dagelijkse groei hangt direct af van de intensiteit en de hele duur van de groeiperiode. De soorten die een snelle dagelijkse groei vertonen, doen dit maar korte tijd. De tragere groeiers kunnen daarmee wel 3 maanden doorgaan. De gemiddelde groeiperiode in de gematigde zone beslaat 30-40 dagen, of 50-60 als we beginnen te tellen vanaf het ontluiken van de knoppen. Het grootste gedelte van de groei vindt overdag plaats (66%), de rest 's nachts (34%). Bij sommige soorten wordt de intensieve voorjaarsgroei gevolgd door een korte tijd van langzame groei, om in juli weer te beginnen. In die tijd verschijnen de zomerloten, Sint Jansloten genaamd, die gewoonlijk minder lang zijn dan de loten van de lente. Het type groei, dat we gaan beschrijven is gebonden aan de klimatologische gesteldheid van de gematigde zone. Het voornaamste kenmerk is de geregelde terugkeer van de groei, die afhangt van de metereologische ontwikkeling en de breedtegraad. Aan deze gesteldheid is ook nauw verbonden de periode van groeibevorderende rust, die afhankelijk van de soort meer of minder lang duurt. Deze periode is erfelijk bepaald en kenmerkend voor de soort. Dit wordt duidelijk, als ze onder andere breedtegraden opgroeien. Zelfs onder zeer verschillende voor waarden bewaren de soorten hun jaarlijkse bioritme. We noemen in dit verband de Robinia, die uit Noord-Amerika komt en nu gekweekt wordt in Europa. Hij is bijna de laatste van de gekweekte houtige gewassen die knoppen zet. Soms is het daarentegen voldoende be paalde klimatologische voorwaarden na te bootsen, bijvoorbeeld door in augustus enkele planten of delen ervan in een schijnbare rustperiode te brengen. In dat geval zie je, dat kastanjes en Weigelia's aan het begin van de herfst beginnen te bloeien. Men noemt dit tweede bloei. De houtige soorten ontwikkelen zich niet alleen in de hoogte, maar ze worden ook dikker. We hebben de anatomische beginselen van de diktegroei al behandeld. Toch brengt het in de omvang van de stengel veranderingen teweeg, die andere oorzaken hebben dan groei en loslating van het weefsel. De inhoud van takken en stam verandert gedurende de dag. Het wisselt ook naar weers gesteldheid. Hoewel het niet zulke grote veranderingen zijn, als die veroorzaakt worden door de lengtegroei en ook niet zo blijvend; ze bestaan niettemin. niettemin. Elke stam heeft 's morgens voor zonsopgang de grootste omvang. Vervolgens krimpt hij in door transpiratie. Maar een kleine regenbui is voldoende: de bedekkende weefsels nemen water op, zwellen en de inhoud van de stam is weer veranderd. De omvang van de stam krimpt 's winters ook in, soms zelfs heel duidelijk zoals bij de els. De inkrimping door strenge vorst kan zelfs leiden tot de vorming van vorstscheuren. Eenzelfde soort scheuren kan's zomers ontstaan door hittegolven. Als de bovengrondse delen van de boom snel opschieten, Ontwikkelen de jonge worteltjes zich eveneens heel snel. De groeidynamiek van de wortels is bepalend voor de groei van alle houtige gewassen. Laten we, als bewijs de drie belangrijkste soorten uit onze Europese bossen vergelijken: de zilverspar, de spar en de den. De taaiste met het grootste aanpassingsvermogen is heel duidelijk de den. De vergelijking van deze soorten met elkaar kan ons veel leren: het wortelstelsel van de spar is 2 keer zo lang als dat van de zilverspar en dat van de den 6 keer zo lang als dat van de spar. We weten, dat berken in staat zijn overal op te schieten, in de kleinste spleet, in een muur of achter een schoorsteen. Ze worden daarbij geholpen door een bijzonder wortelstelsel. De wortels van een berk van 1 jaar hebben al een lengte van 150cm. Het groeiverloop van de worteld is ook periodiek, maar het hangt minder af van de klimatologische omstandigheden dan bij de ondergrondse delen. De wortels kunnen nog groeien bij 5 a 6 graden aan de grond. De hoogste temperatuur waarbij wortels groeien is 32 graden. In de landen waarin het niet erg diep in de grond vriest, heeft men geconstateerd dat de wortels het hele jaar actief blijven en hoewel traag, zelfs 's winters groeien. De houtachtige soorten zijn organismen met een zeer lange levensduur. Om die reden worden ze ook niet zo gauw volwassen als de gewassen die minder lang leven. Volwassenheid en vruchtbare leeftijd wisselen per soort. De soorten met een snelle jeugdgroei (berken, elzen, espen) beginnen al vroeg te bloeien en te produceren, sommige sparren en lariksen ook vanaf 10 tot 20 jaar; sparren, linden en haagbeuken produceren zaad tussen 20 en 30 jaar en de langzamer groeiende soorten tussen 30 en 40 jaar. Van de Europese soorten die van belang zijn voor het bos, zijn de beuken en zilversparren het langzaamst. Wie kamerplanten kweekt, weet wel, dat als hij een Clivia een lange poos droog zet, die al gauw begint te bloeien, terwijl als hij normaal giet, de plant enige jaren kan leven zonder te bloeien. Datzelfde kan zich voordoen bij bepaalde houtachtige soorten: Ongewone invloeden of de gezondheidstoestand kunnen niet alleen het begin van de produktieperiode beinvloeden, maar ook de produktiejaren en de hoeveelheid zaad. Bomen leven heel lang en uit biologisch oogpunt eindigt de groeiperiode nooit. In theorie zouden ze "eeuwig" kunnen leven, zoals de zeer oude klonen, kweekvormen van vruchtbomen, waarvan de weefsels op kunstmatige manier in leven zijn gehouden gedurende honderden en zelfs duizenden jaren, dat aantonen. Toch zijn die ook sterfelijk. Een boom is ook ten prooi aan veroudering en vernietiging. Het is waar dat het merendeel van de bomen eindigt door de bijl en de zaag, maar ze ontsnappen ook niet aan de natuurlijke dood of aan ziekten. De meest voorkomende oorzaken van afsterven zijn verrotting van de kern en algehele verzwakking van de stam, wat leidt tot instorting, verandering in het evenwicht, ontworteling of breken van de zwakke stam bij een windvlaag. Het verrotten van de wortels die veel eerder aan hun einde zijn dan de houtige bovengrondse delen is ook een veel voorkomende oorzaak. De vernietiging van grote delen van het wortelstelsel uit zich in het verdrogen van gedeelten van de kroon of van enkele tekken. Als enkele takken breken, wordt het evenwicht van de boom verstoord, wat nieuwe breuken veroorzaakt en de weg opent voor het binnendringen van sluipende ziekten.Verrotting en verdroging zijn de voornaamste stervensoorzaken van bomen. Maar de invloed hiervan hangt direct af van de gezondheid en de vorm van de boom, evenals van zijn leeftijd. Het doet zich gemakkelijker voor bij het begin van het ouder worden van de boom. Deze periode begint, Wanneer de groei zijn hoogtepunt heeft bereikt en langzamerhand begint af te nemen. Het is opmerkelijk dat dit zich al voordoet tijdens het eerste tiende deel van de levensduur van de boom. Zelfs bomen, die vele eeuwen leven, beeindigen hun periode van intensieve groei al in de eerste eeuw van hun bestaan. Toch is het voorbarig te spreken van de veroudering van de soort, zolang de verschillende delen van de boom, struik, half-struik en plant niet in functioneel evenwicht zijn. bomen zijn niet verschoond van ziekten, die kunnen leiden tot een vroegtijdig verdwijnen van het exemplaar. Sommige ziekten kunnen ziekten kunnen zelfs het bestaan van een soort op een heel continent in gevaar brengen: op het ogenblik is dit het geval bij de iepziekte van iepen (olmen), die in Europa al hele aanplanten heeft vernietigd en die de iepen helemaal uitroeit als er niet onmiddellijk in heel Europa maatregelen worden genomen. De houtige gewassen verouderen niet alleen als individu, maar hun ontwikkeling als taxon (natuurlijke groep of eenheid), opgevat als een fylogenetische branche, heeft een begin, een hoogtepunt en een teruggang. Als bewijs dienen de laatste sporen die getuigen van een oude plantenwereld (Ginkgo, Metasequoia) of van nog ander zoals de zilverspar, die bezig zijn onder onze ogen te verdwijnen. Men zoekt, onder eindeloze discussies, naar de redenen van die verdwijning.
|