Home > Bomen en struiken > Mens en boom
Mens En Boom
Klik hieronder om te zoeken in onze website
 Mens en boom
Het spreekwoord, dat zegt, dat hout de mens begeleidt van de wieg tot het graf, zonder hem zijn leven lang te verlaten, heeft niets van zijn actualiteit ingeboet zelfs niet in dit plastic-tijdperk. Integendeel, nu de aantrek-kingskracht van het nieuwe voorbij is, keren mensen meer en meer terug naar de traditionele stoffen en vooral naar hout. Het bos heeft de mens ten dienste gestaan, als eerste plek om in te leven en zijn toevlucht te zoeken; het is de eerste bron, waar hij de grondstoffen vond die hem in staat stelden te overleven. Tot aan de periode van ingrijpende verandering in het neolithicum heeft de mens in harmonie geleefd met het bos. Maar zodra hij de eerste vore had getrokken, is het bos eronder blijven lijden, hoewel deze omwenteling in Europa juist tijdens een voor de ontwikkeling van het loofbos zeer gunstige periode plaats vond. Desondanks hebben bosformaties nog het grootste deel van het Europese landschap bedekt, van de bakermat der geschiedenis af. Het woud benoorden de Alpen is later aangetast dan het Middellandse Zeegebied, dat al veel langer bewoond was. De cruciala perioden die de uitgestrektheid en de kwaliteit van de Europese bossen hebben beinvloed, kunnen we situeren tijdens de grote golven van kolonisatie door de mens. Deze golven, die toen van west naar oost gingen, ontstonden in de twaalfde eeuw. Hierdoor begonnen de bossen in het Middellandse Zeegebied en aangrenzende gebieden, die het benodigde hout voor nederzettingen, boten en verwarming leverden, te verminderen onder druk van nieuwkomers. Die wilden niet alleen land hebben om te bewerken, maar ook om de benodigde grondstoffen te verkrijgen voor de beginnende mijnbouw en de eerste smederijen. De bossen weken terug na de tweede golf van ontbossingen in de 17e en 18e eeuw om zich te handhaven op plaatsen die ongeschikt waren voor de landbouw. De natuurbossen van Noord-Amerika verdwenen nog veel sneller. Op dit continent heeft men in de loop van de laatste vier eeuwen ongeveer 540 miljoen hectare bos gekapt. Een zo snelle en uitgebreide ingreep heeft niet alleen veranderingen in het locale klimaat met zich meegebracht, maar vooral een belangrijke wateren winderosie van de bodem veroorzaakt. Tot het einde van de eerste helft van de 19e eeuw heeft men de vernieuwing van het bos aan de natuur zelf overgelaten. Het woud vernieuwde zichzelf door middel van zaad dat ter plaatse rijp werd. Van de tweede helft van de laatste eeuw af, is er een bewuste aanplant van bos. Hoewel deze ingreep op zichzelf positief positief is, heeft het ook negatieve factoren met zich meegebracht voor de Europese bossen. De zaden uit het bos werden opgeraapt en verkocht aan wie erom vroegen. Daardoor was de aanplant niet homogeen en kwam men ertoe zaden van verschillende herkomst onder voorwaarden en op plaatsen, die niet de meest ideale waren, te zaaien. In natuurbossen treft men dus niet-geeigende cultures aan. Deze houtcultures bevatten vaak maar een soort. Deze handelwijze brengt op zichzelf zeker veel technische voordelen met zich mee(cultures van dezelfde leeftijd zijn makkelijker te onderhouden en te exploiteren)en zelfs werd het in de eerste generatie een economisch succes, Maar het bracht verarming van de bodem teweeg en andere gevaren, die inherent zijn aan de monocultures, zoals invasies van parasieten. Wie verantwoordelijk zijn voor de aanplant van bossen, zien zich tegenwoordig geplaatst voor een geweldige taak. Ze moeten de huidige omvang van de bossen handhaven en die op een natuurlijke manier vernieuwen. Het bos is geen houtfabriek, maar heeft veel andere, vaak onvervangbare functies, met name op het gebied van de waterhuishouding en de bodembescherming. Men vergelijkt bossen niet ten onrechte met paddestoelen. De bossen pompen even snel water op als paddestoelen en ze staan het maar beetje bij beetje af. Ongelukkigerwijs constateert men deze waarheid pas op het moment, waarop een bos verdwijnt in een bepaalde streek bijvoorbeeld onder invloed van industriele luchtvervuuiling. Onder alle plantaardige bodembedekkingen is het bos niet alleen het meest verspreid, maar ook het meest waardevol. Volgens de F.A.O. bedekte het totale bosoppervlak in 1974 ongeveer 30% van het vaste land, laten we zeggen 4 miljard hectare, waarvan de gehele houtreserve 350 miljard kubieke meter bedraagt. In 1977 bereikte de exploitatie van het naaldhout door de Sovjet Unie een hoogtepunt met 319 miljoen kubieke meter, gevolgd door de V.S. met 258,7 miljoen kubieke meter en Canada met 133,8 miljoen kubieke meter. Vermelden we dan ook nog Zweden met 41,7 miljoen kubieke meter en Finland met 26,3 miljoen kubieke meter. In dezelfde tijd exploiteerde Indonesie 140,8 en India tenslotte 128,6 miljoen kubieke meter. Het geheel aan reserves van organische stoffen van het woud vertegenwoordigt ongeveer 82% van de totale hoeveelheid, die onze planeet bezit, d.w.z. ongeveer 1960 miljard ton. De jaarlijkse aanwas wordt geschat op 100 miljard ton. In dit getal is inbegrepen de hele plantaardige produktie van houtachtige gewassen. Men schat dat de mens, uitgaande van de door het bos voortgebrachte organische massa, hieruit minstens 20.000 verschillende produkten kan maken. Verder, voor zover de bossen producent van organische stoffen zijn, vertegenwoordigen ze tegelijkertijd een nieuwe energiebron voor de behoeften van de mensheid. De belangrijkste stof die de houtachtige gewassen produceren, is hout. Het meest gebruikte criterium om kwaliteit en bruikbaarheid van het hout te meten is het weerstandsvermogen en de hardheid. Men meet dit over het algemeen aan de weerstand onder druk en men drukt dit uit in megapascal MPa. De hardste houtsoorten, die een druk van meer dan 150 Mpa verdragen zijn de tropische, die het meest voorkomen in de tropen en de subtropen. In de handel duidt men deze gewoonlijk aan met "ijzerhout". Een tweede categorie extreem harde houtsoorten, met een drukweerstand van 100 tot 150 Mpa, bevat o.a. de Amerikaanse haagbeuk uit Virginia, eveneens geclassificeerd als ijzerhout en in Europa de buksboom, kornoelje, liguster en sommige eiken. Er zijn talloze harde houtsoorten (65 a 100 Mpa). De bekendste hiervan zijn taxus, eik, noteboom, esdoorn, beuk, haagbeuk, lijsterbes en een hele reeks fruitbomen waaronder de peer, appel, pruim en kers. Hout met een gemiddelde weerstand verdraagt een druk van 50 tot 65 Mpa. Dat zijn de kastanje, plataan, olm en hazelnoot. Zachte houtachtige soorten zijn els, berk, witte teenwilg en vogelkers, maar ook enkele soorten naaldhout zoals de lariks, de Douglasspar en de den. Deze verdragen een druk van 36 tot 50 MPa, terwijl de hele zachte soorten al bij een druk van ongeveer 35 Mpa ontworteld kunnen worden; wilgen, populier en linden. De mens gebruikt hout als het klassieke natuurlijke materiaal voor alle mogelijke activiteiten vanaf constructie tot artistieke scheppingen. Hout is ook materiaal waarvan men tal van andere produkten kan maken. In de houtmassa, om precies te zijn in het droge gedeelte, bevinden zich bijna 99% brandbare, organische stoffen en maar 1% as. De juiste betrek kingen tussen de organische stoffen van het hout hangen van vele factoren af: de soort bos, de ouderdom, groeivoorwaarden etc. In het algemeen geldt: hoe meer cellulose het hout bevat, hoe minder lignine en omgekeerd. Terwijl de zilversper ongeveer 57% cellulose bevat en 27% lignine, is de verhouding bij de eik 40% cellulose tegen 35% lignine. Het hout bevat verder nog zetmeel, suikers, vetten, vluchtige vluchtige stoffen, hars, salpeterzuur en kleurstoffen. De belangrijkste materie voor de industriele exploitstie van hout is cellulose, dat zich vooral bevindt in de jonge gedeelten van de houtachtige gewassen. Cellulose is tot dusverre de belangrijkste stof voor papierfabricage: de papierindustrie is dan ook de grootste consument. Cellulose is eveneens een grondstof waaruit andere produkten gemaakt worden: kunstzijde en andere vezels, celluloid, cellulose lakken, emailpoeder, cellofaan enz. Door andere chemische procede's verkrijgt men aceton, citroenzuur en ook nog voeding voor dieren. De oude methode van het verbranden van dood hout (distillatie) verschaft ons, door de moderne technologie nog beter, houtskool, azijnzuren, ter en houtgas. We kunnen uit hout ook nog looizuur, hars en kleurstoffen winnen. Het hout van verschillende bomen bevat ook schadelijke stoffen voor het menselijk organisme: hout, dat "giftig" is voor de mens, zoals de taxis. Amerikaanse arbeiders hebben moeilijkheden met hun blaas gehad, toen ze de cederhoutboom bewerkten. Deze houtachtige soort bevat een giftige substantie, sabinol, dat men inademt bij de houtkap. Maar hout is niet de enige stof, die houtachtige gewassen de mens verschaffen. De secundaire beschermende weefsels, met name de schors, komen de mens al sinds heel lang te pas. Met behulp van deze stoffen maakt hij niet alleen kurken, maar ook het echte linoleum en van het kurkafval perst hij isolatiemateriaal. Enkele bladdragende soorten bevatten een heel hoog percentage vloeibare suikers in hun wortels. Het aftappen van suiker uit de berken ten tijde van het ontbotten was de meest verbreide bezigheid in Rusland. Men deed dit door het ondiep inslaan van een buisje in de stam van de boom, waarin men een kleine opening had geboord. Van het aldus verkregen sap bereidde men een soort thee. En berkensap is tot heden een geliefkoosde drank in de Sovjet Unie. De suiker van de zo bekende Canadese ahorn wordt op dezelfde manier gewonnen. Men kookt het vocht, dikt het in om een siroop te krijgen die dient om iets te zoeten. Het sap bevat 2,5% tot 5% suiker en er kan 20 tot 25 liter per boom gewonnen worden. De immigranten hebben beze methode ontdekt toen ze de Indiaanse stammen gadesloegen, die in hun taal de maand van sapwinning aanduidden als de maand van de ahorn in hun kalender. Dit suikersap komt bij vele ahornsoorten voor. Men wint het op industriele manier in drie autonome Sovjetrepublieken: Bachkirie, de Tchouvaches en de Tartaren. Olmen bezitten ook suikersap, maar dit sap is voornamelijk samengesteld uit maniet en men gebruikt dit alleen plaatselijk als zoetmiddel (manna). Op dezelfde manier wint men ook hars uit levende bomen. Vaak wordt het onttrokken aan coniferen, vooral dennen, door een V-vormige insnijding te maken onder aan de stam. Hetzelfde systeem Wordt gebruikt voor de aftap van rubberbomen. De harsstroom wordt opgevangen in een tevoren daartoe daartoe geschikt gemaakt vat. Uit de opgevangen hars wordt o.a. terpentijnhars, vioolhars of colphonium gemaakt. Het kweken van notebomen, lijsterbessen, aal- en zwarte bessen is ook al heel oud. In de gematigde zone gebruikte men vooral soorten uit de familie van de pruimen. Deze soort gom werd niet alleen gebruikt om als vervanging van arabisch gom (gemaakt uit acacia's) te dienen. Het manna uit het hars van de iep was vroeger een geneesmiddel dat gebruikt werd door kinderartsen. Het had een zoete smaak en een laxerende werking. De iep was niet de enige boom die natuurgeneesmiddelen verschafte. In gematigde streken zijn er nog veel meer soorten. De bottels van de wilde roos geven niet alleen suiker, maar ook vitamine C. De bloemen en vruchten van de vlier bevatten stikstofhoudende, niet alkaloide substanties, zoals cyaanhydride, die in kleine hoeveelheden toegediend de spijsvertering bevorderen. De meeste weefsels bevatten aromatische stoffen, die gebruikt worden in de geneeskunde. De schors van verscheidene wilgensoorten bevatten monophenol, zeer heilzaam tegen reumatiek en verkoudheden. Men gebruikt hiervoor de gedroogde schil van jonge takken van deze bomen. In Europa bevatten lindebloesem en de bladeren van de meidoorn andere fenolen, de flavonen. De schors van sommige andere bomen en struiken bevat chinoden. Het jugloon komt voor in de bladeren van de okkernoot, anthrachinonen in de schors van de vuilboom en anthraceenderivaten in de vruchten van de wegedoorn. Deze stoffen werken sterk laxerend. De weefsels van de houtachtige soorten bevatten vaak veel tanninen. Hun vermogen albuminen te binden is de besis van hun bacteriedodende werking. De klassieke zowel als de populaire geneeskunde gebruiken tanninen niet alleen in de dermatologie, maar ook voor inwendig gebruik. In de gematigde streken haalt men deze stoffen heel vaak uit eikeschors en hamamelisbladeren, maar het zit ook in de bladeren van de noteboom, braam- en frambozenstruiken. Veel soorten bevatten ook natuurlijke olien. Deze olien zijn vloeibaar, onoplosbaar in water, maar wel oplosbaar in vetten en organische oplosmiddelen. Ze zitten in dezelfde groep als de harsen. Ze ontstaan in parallel lopende cellen, zij aan zij met de harsen, als meer of minder op elkaar inwerkende stoffen. Ze vormen samen een balsem: terpentijn en vioolhars zijn daar een voorbeeld van. De natuurlijke vluchtige olien zijn vaak het resultaat van een samenvoeging van talloze, moeilijk te onderscheiden componenten. Men gebruikt ze niet alleen in de farmacie, maar ook in de kosmetische industrie, waar ze vaak met succes de synthetische stoffen beconcurreren. De oplosbaarheid in vetten stelt hen in staat heel gemakkelijk in de huid te dringen, waar ze opwekkend en desinfecterend te werk gaan. Langs orale weg prikkelen ze de nieren en hebben een vochtafdrijvende werking. De soorten, die de meeste van deze stoffen bevatten, zijn vooral de coniferen- en laurierfamilies. Het beroemde laurierblad, goed bekend in keukens, bevat 3% vluchtige olie; terpentijn, gewonnen uit verschillende dennesoorten, bevat zelfs 20% vluchtig vloeistof en 70% hors. De Canadabalsem, die gewonnen wordt uit twee soorten zilversparren, bevat een verhouding van 25%tegen 702%. Men gebruikt dit voral in de optiek en de techniek van de microscoop. Jonge denneknoppen worden ook gebruikt bij de vervaardiging van stoffen die men gebruikt voor medicinale baden bij reumatiek. De berk is een van de belangrijkste houtige gewassen, waarvan het weefsel saponinen bevat. De bladeren hebben een vochtafdrijvende werking. Ze worden vaak gebruikt bij ziekten van de urinewegen. Sommige soorten dienen ook als voedselbron voor de mens. In de gematigde streken zijn dit vooral de fruitbomen. De mens heeft deze al heel lang gekweekt. Bovendien bestonden sommige soorten alleen als gekweekte gewassen en kende men ze niet in hun wilde gedaante. De oorsprong van de meeste vruchtbomen is een betrekkelijk brede strook, voor een deel in de bergen van de Kaukasus en verder in Syrie en Klein-Azie. Vandaar zijn ze in de hellinistische tijd en onder het Romeinse keizerrijk eerst verspreid naar het westen en vervolgens naar het noorden. De oudste vruchtboom van Europa is waarschijnlijk de appelboom. Men heeft in sporen van het neolitische tijdperk verkoolde appeltjes en een soort gedroogde appels gevonden. Het kweken van perebomen dateert bijna uit dezelfde tijd, gevolgd door de cultures van kersen, morellen, abrikozen en perziken. Het kweken van notebomen, hazelnoten, aal-en zwarte bessen is ook al heel oud. In het Middellandse Zeegebied kweekt men bovendien nog andere bruikbare soorten zoals de vijg, olijf en wijnstok. Ook heel oud zijn de moerbei en de duindoorn, hoewel ze legenwoordig veelal verwilderd zijn. Toch zijn er ook soorten in de vrije natuur, die eetbare vruchten hebben, zoals frambozen, bessen, noten en aan de overkant van de oceaan de Canadese bosbes. De geschiedenis van de mensheid is nauw verbonden met het kweken van houtachtige gewassen. Enkele soorten zijn voor de mens zelfs van levensbelang. De eerste stap tot het ten nutte maken van planten kenmerkt zich heel in het begin vaak door overplanten van soorten, in tegenstelling tot de directe invoering, die we tegenwoordig kennen. De mensen hebben natuurlijk eerst geprobeerd de plantensoorten die in hun directe omgeving groeiden, te cultjveren. Deze wijze van kweken, waardoor de natuurlijke omgeving van de plant niet verandert, wordt transplantatie genoemd. Daarentegen spreken we van introductie, als men een plant van de plaats van herkomst overbrengt naar een nieuwe omgeving. Vaak slagen we hierin, maar soms zijn de nieuwe omstandigheden zo verschillend van de vorige, dat de planten er niet in slagen zich aan te passen. Het proces van aanpassing heet adaptatie of acclimatisering. Men beoordeelt de graad van slagen in acclimatisering naar de uiterlijke reacties van de plant. Vaak groeit hij niet, leidt een kwijnend bestaan en sterft tenslotte. We spreken van een hoge graad van acclimatisering, als de plant begint te bloeien in zijn nieuwe omgeving; de hoogste graad wordt bereikt als de plant vruchten gaat dragen en rijpe zaden voorbrengt. Het beste bewijs dat de plant zich thuisvoelt in z'n nieuwe omgeving is dat hij zich vele generaties lang voortplant. Dat de aanpassing voor vele soorten goed gelukt is, blijkt uit de verspreiding van de noteboom en de wijnstok. Een nieuwe periode van invoer van houtachtige soorten vond zijn hoogtepunt tijdens de antieke beschaving in het Middellandse Zeegebied. Maar na het verval van het Romeinse keizerrijk kwam er een onderbreking. Praktisch tot aan het eind van de middeleeuwen ontbreekt ons informatie over uitbreiding van gekweekte houtachtige soorten. Maar dit geldt alleen maar voor Europa. In Japan en China kweekte men in dit tijdperk al heel lang vele bloeiende soorten bij de talloze soorten, die al bekend waren uit verschillende landen. De eeuwenoude Japanse kunst van het tuinieren getuigt hiervan. De grote overzeese ontdekkingsreizen, de ontdekking van de Nieuwe Wereld en de ontwikkeling in het algemeen van de Europese maatschappij hebben ongetwijfeld bijgedragen tot opbloei en snelle ontwikkeling van het kweken van planten en van tuinieren in het algemeen. Het waren eerst verschillende hogescholen en universiteiten, die in samenwerking met de ministeries botanische tuinen stichtten. Later werd dit geikiteerd door de adel. De buitenplaatsen van de adelijke heren, de steden en verschillende verenigingen hebben buitengewoon veel bijgedragen aan de opbloei en ontwikkeling van de belangstelling voor het kweken van nuttige en exotische planten. Maar de klimatologische voorwaarden van westelijk Europa waren er de oorzaak van, dat alleen een cultuur van oorspronkelijke gewassen uit de gematigde streken van het noordelijk halfrond succes had. De eerste bronnen die melding maken van introductie van vreemde gewassen dateren pas uit de 16e eeuw, als we de reeds genoemde golf van aanplantingen uit het antieke tijdperd buiten beschouwing laten. Zo'n veertigtal jaren na de ontdekking van Amerika heeft men de eerste buitenlandse coniferensoort ingevoerd in Europa n.l. de Thuya occidentalis (westerse levensboom). Volgens sommige bronnen heeft J. Cartier deze vanuit Canada naar Frankrijk gebracht in 1534. Volgens overlevering was dat gewas een van de bij de zeelieden geliefkoosde geneesmiddelen tegen scheurbuik waaraan ze tijdens de lange zeereizen leden: ze gaven deze boom zelfs de naam levensboom (Arbor vitaef). Maar het nuttige effect van deze levensbomen op scheurbuik blijft vrij problematisch. Want dit gewas bevat verder het giftige thuyoon, dat de huid prikkelt, Misselijkheid veroorzaakt en de nieren beschadigt. Deze vreemde associatie met de levgensboom vindt misschien zijn oorsprong in het feit, dat zijn takken en bladerendek in die tijd verschilden van de toendertijd in Europa bekende houtachtige gewassen. Maar de introductie van daze soorten van overzee bleef heel lang een geval op zichzelf met een uitzondering, die moeilijk te bewijzen is, n.l. de introductie van de Weymouth-den en Frankrijk omstreeks 1550. In de loop van de 16e eeuw breidden de Europese tuinen hun assortiment uit door de invoer van soorten die inheems waren in Zuid-Europa, het Midden-Oosten en Klein-Azie. Aedert 1560 kweekt men boerenjasmijn (Philadelphus coronarius) en goudenregen (Laburnum anagyroides) en vanaf 1570 de Europese blazenstruik (Colutea arborescens) en de struikjasmijn (Jasminum fruticans). De paardekastanje, vroeger slechts te vinden in een klein gebien in de Balkan, wordt in de tuinen van Europa gekweekt sinds 1576, net als de zure kers (Prunus laurocerasus). Corylus colurna (lammetjesnoot) verscheen in 1582, Ribus alpinum (alpenbes) in 1588, het Europese krenteboompje (Amelanchier ovalis) en de gevederde pimpernoot (Staphylea pinnata) in 1596. Aan het eind van de eeuw, Rond het jaar 1600 verschenen de Hibiscus- soorten (Hibiscus syriacus) in Europa en tenslotte in 1638 de ceder van Libanon. Pas in de 17e eeuw kwamen de van overzee, vooral uit Noord-Amerika, ingevoerde planten in de meerderheid. Het eerste gewas uit Amerika geimporteerd in de zeventiende eeuw was de Robinia pseudoacacia, de eerste keer in 1603, de tweede keer in 1636. Onder de meer bekende soorten die men de eerste helft van de 17e eeuw invoerde waren o.a.: de gladde Sumak (Rhus glabra) in 1620, de wilde wingerd (Parthenocissus quinquefolia) in 1622, de Canadese krenteboom (Amelanhier canadensis) in 1623, de vergiftigde Sumak (Rhus typhina), de Amerikaanse walnoot (Carya ovata) en de Amerikaanse vogelkers (Padus serotina) in 1629, de grijze walnoot (Juglans cinerea) in 1633, Rubus odoratus (braam) in 1635, de Celtis occidentalis (Franse lotusboom) in 1636, de moerascypres (Taxodium distichum), de Bignonia (Campsis radicans), Canadese Christusdoorn (Cercis canadensis) en de Platanen (Platanus occidentalis) in 1640. Deze soorten waren slechts voorlopers van toekomstige invoer, voornamelijk van het Amerikaanse continent. In de loop van de 17e eeuw was de invoer uit Azie nog onbetekenend. Pas begin 18e eeuw werden de eerste houtachtige soorten uit Azie ingevoerd in Europa. Een deel kwam uit Syberie, Centraal-Azie en de Kaukasus. De witte Kornoelje (Cornus alba) kwam in 1741, de Tartaarse kamperfoelie (Lonicera tatarica) en het Erwtenboompje (Caragana arborescens) in 1752, Sorbaria sorbifolia in 1759, de Zelkova carpinifolia in 1760 en tenslotte de Kaukasische vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolia) in 1782. De invoer van soorten uit het Verre Oosten begon met van oorsprong Chinese soorten, hoewel een van de eerste, de Ginkgo biloba, uit Japan kwam in 1730. Gevolgd door de Japanse honingboom (Sophora japonica) in 1747, de Broussonetia papyrifera in 1750, de Oosterse levensboom (Thuya orientalis) in 1752, Koelreuteria paniculata in 1763, de Torrya nucifera in 1764, de Chinese jeneverbes (Juniperus chiesis) in 1767, de hemelboom (Ailanthus altissima) in 1784 en tenslotte in 1789 de Magnolia (Magnolia denudata). De volgende tabel laat de invoer zien van het aantal exoten uit Azie en Amerika van het eind van de zestiende eeuw tot het begin van de twintigste eeuw: Natuurlijk bevat deze tabel niet alle ingevoerde soorten. We bepalen ons ertoe de belangrijkste soorten die tot nu tot gekweekt worden, te vermelden. Het informeert ons toch over de opeenvolgende golven van invoer. De Amerikaanse golf, hoewel evenwichtig, bereikte het hoogtepunt omstreeks het midden van de 18e eeuw, terwijl de meeste Aziatische soorten pas tijdens de tweede helft van de 19e eeuw zijn gearriveerd. Deze invoer van nieuwe soorten zou moeglijk gemaakt worden dankzij de grote ontdekkingsreizen, waarvan de belangrijkste die van Wilson, tussen 1900 en 1910, zijn geweest. De eerste planten zullen zeker toevallig verzameld zijn door nieuwsgierigen. Maar weldra gingen de eerste missionarissen, artsen en later ook botanici en hoveniers aan het werk. Er werd energiek en systematisch verzameld. De opzet was voor alles de Europese tuinen te verfraaien en later ook het zoeken naar soorten om de Europese bossen te herplanten. Talloze onderzoekers werkten direct voor de beroemde ondernemingen op het gebied van de tuincultuur, zoals Vilmorin in Frankrijk, Veitch in Engeland, Lawson in Schotland en nog vele anderen, Amerikaanse stichtingen zoals Arnold Arboretum of de Royal Horticultural Society in Engeland. De soorten, die op het ogenblik de parken en tuinen sieren, zouden er nooit groeien zonder mensen als (tussen haakjes staan de geslachten en soorten genoemd naar de ontdekkers ervan): Sir Joseph Banks (1743-1820), Engelse botanicus, die deelnam aan de eerste expeditie van Cook (Banksia en Pinus banksiana). John Bartram (1699-1777), eerste Amerikaanse botanicus in Philadelphia. Hij verzamelde vooral soorten uit de Amerikaanse gebergten. Henry Compton, bisschop van Londen in de jaren 1675-1713, die in zijn eigen tuin in Fulham ongeveer 400 ingevoerde houtachtige gewassen bijeenbracht. J. Cunningham, Engelse arts die omstreeks 1700 in China werkte. We hebben de Cunninghamia aan hem te danken. P. A. David (1826-1900), Frans missionaris, die o.a. de Pinus armandia ontdekte. Hijwerkte in China en de soorten Buddleia davidii en Rosa davidii zijn een hommage aan zijn naam. J.M. Delavay (1834-1895), Frans missionaris, aan wie we de ontdekking van verschillende coniferen danken. Ter zijner ere draagt een lid van de zilversparrenfamilie de naam Abies delavayi. D. Douglas (1798-1834), hovenier. Hij verzamelde noviteiten voor de Royal Horticultural Society in Noord-Amerika. Hij bracht Verschillende Noordamerikaanse coniferen bijeen, zoals de Abies grandis, Pinus ponde rosa, Pseudosuga menziesii ofwel de Pseudotsuga douglasii. G. Engelmann (1809-1884) arts en botanicus, die in Noord-Amerika werkte. Hij droeg talloze nieuwe coniferensoorten bij, zoals de Picea engelmannii. P.P. Farges ontdekte verscheidene houtachtige gewassen in China, in de tweede helft van de 19e eeuw. Decaisnea fargesii draagt zijn naam. John Fraser (1752-1811), Engelsman, die houtachtige soorten ontdekte en verzamelde, werkte sedert 1780 in Noord-Amerika. In ongeveer 20 jaar rustte hij 12 expedities uit. Een magnolia en een zilverspar dragen zijn naam, Magnolia fraseri en Abies fraseri. P. Hugo, alias P. Hugh Scallen, Missionaris in China. Een roos draagt zijn naam, Rosa hugonis. D'Incarville (1706-1757), Frans missionaris in China, bracht o.a. een Thuja mee, Thuja orientalis (Incarvillia). J. Jeffrey, lid van een expeditie naar de kust van de Pacifische oceaan, bracht vandaar veel zaden van Amerikaanse soorten mee naar Engeland. Een den draagt zijn naam (Pinus jeffreyi). E. Kaempfer (1651-1761), een Nederlandse arts, die een korte tijd verblijf hield in Japan en talloze planten in dat land beschreef, heeft zijn naam gegeven aan een lariks: Larix kaempferi. W. Kerr, die aan het begin van de 19e eeuw in China was, introduceerde bladdragende soorten en coniferen. (Keria japonic). T. Lobb, verzamelaar van de Engelse stichting Veitch, vertok aan het eind van de eerste helft van de 19e eeuw naar tropisch Azie. Hij zond planten van de botanische tuin van Java naar Engeland. W. Lobb (1809-1863), Heeft vier reizen naar Amerika ondernomen en verzamelde voor Veitch society in Exeter. Hij was het die de eerste zaden van de Auraucaria araucana uit Zuid-Amerika stuurde en uit Noord-Amerika loten van de majestueuze sequoia's meebracht. K.I. Maximovich (1827-1891), Russische botanicus, die in het gebied van de Amoer en in Japan onderzoekingen deed, heeft een spar en een berk op zijn naam staan: Picea maximowiczii en Betula maximowiczii. Ch. Maries (1851-1902), verzamelaar voor de society Veitch, met name in China en Japan. Een zilverspar draagt zijn naam: Abies mariesii. A. Menzies (1754-1842), Engelse arts, zeilde om Zuid-Amerika met een kleine Engelse vloot en zocht naar nieuwe soorten aan de Noordamerikaanse Pacifickusten. Hij ontdekte veel nieuwe soorten als de Sequoia sempervirens. De douglasspar draagt ook zijn naam: Pseudotsuga menziesii. W. Murray, een Schotse onderzoeker van de Lawson society. Hij bracht o.a. de Lawson Cypres (Chamaecyparis Lawsoniana) mee. Een den draagt zijn naam: Pinus murrayana. John Parkinson (1567-1650), apotheker in Londen in dienst van koning Jacobus l. Hij propageerde de invloed van Amerikaanse soorten in Europa. Ch. Parry (1823-1890), Engels onderzoeker in Noord-Amerika heeft de Amerikaanse den ontdekt, de Pinus aristata en nog andere soorten. William Purdon (1880-1921), Engelsman, die onderzoekingen deed in Oost-Azie en China voor rekening van de Society Veitch en van het Arnold Arboretum. Hij bracht een sneeuwbal mee (Vibernum farreri). Jean Robin (1550- 1629), botanicus, onderzoeker en hovenier van de koningen Hendik Ill en Lodewijk Xlll. Hij bracht de eerste Robinia's naar Europa. Vandaar de naam. Ch. S. Sargent (1841-1927), Amerikaanse dendroloog, ontdekte ten behoeve van de plantkunde verschillende verzamelingen. Hij verbleef korte tijd in Japan en ontdekte en importeerde een lariks: Larix occidentalis. Een hortensia draagt zijn naam: Hydrangea sargentiana. P.F. von Siebold (1796-1866), Duitse arts, werkte in de 20er jaren van de 19e eeuw in Japan voor rekening van de Nederlandse Westindische Compagnie. Hij werkte mee aan het boek Flora Japonica en heeft grote kwekerijen in Leiden aangelegd, gespecialiseerd in Japanse soorten. Zijn naam is verbonden aan een Tsuga: da Tsuga sieboldie. C.P. Thunberg (1743-1822), een Zweedse arts, leerling van Linnaeus, die werkte voor rekening van de Westindische Compagnie. Hij behandelde op een zeer ingewikkelde manier de Japanse flora en ontdekte een hele serie houtachtige soorten. Een den en een berberis dragen zijn naam: Pinus thunbergii en Berberis thunbergii. J. Torrey (1743-1822), Amerikaanse botanicus, grondlegger van de Amerikaanse plantkunde. De torreyas zijn naar hem genoemd. John Tradescant sr. en John Tradescant jr., leefden in de 17e eeuw. De vader onderzocht het Nabije Oosten, de zoon Virginia in Noord-Amerika, vanwaar hij een onteboom (Juglans cinerea), een ahorn (Acer rubrum) en een olm (Celtis occidentalis) meebracht. De Tradescantia uit de Commelina- familie heet naar hem. J.C. Veitch (1839-1870), broer van de eigenaar van de gelijknamige society, ging in 1860 naar Japan, vanwaar hij heel wat soorten meebracht. Hij ontdekte op de hellingen van de Fuji-Yama, de Veitch zilversper - Abies veitchi. E.H. Wilson (1867-1939), Amerikaan, die zowel voor rekening van de Veitch Society als van het Arnold Arboretum in de V.S. Hij is een van de meest fortuinlijke onderzoekers die in China heeft gewerkt. Het resultaat van zijn onderzoekingen werd van commentaar voorzien en uitgegeven door professor Ch.S.Sargent. De Wilsonspar (Picea wilsonii) herinnert ons aan zijn naam. Deze ontdekkers waren natuurlijk niet alleen. Er zijn vroegen en later nog veel anderen, bekend en onbekend, geweest, De laatste ontdekking in de dedrologie was die van het levende specimen van een grote Chinese boom, Metasequoia glyptostroboides, In 1941 in China, (T. Kan, T. Wang). Deze ontdekking maakte in 1948 een bijna gelijktijdige aanplant mogelijk in verschillende botanische tuinen in de wereld. De hoop, dat men in de gematigde streken nog onbekende soorten zou kunnen ontdekken, Is praktisch verdwenen. Afwijkingen zullen er altijd zijn. Maar ondanks dat, kweekt men nog niet alles wat men kan zaaien en laten groeien in de gematigde streken van het noordelijk halfrond. Veel soorten zijn zelfs nog niet ingevoerd. Russisch Centraal-Azie en de aangrenzende gebieden, voor al China, zijn nog de belangrijkste bronnen voor de invoer van nieuwe soorten. De planten, die de planeet met elkaar delen, zijn het resultaat van een lang proces van evolutie van de natuur. De parken, die de mens van de 20e eeuw, levend in een verstedelijkt en geciviliseerd landschap, in staat stellen de sensatie van contact met de natuur te hebben, hebben slechts dankzij de bemoeienis van talloze ontdekkers, verzamelaars, weldoeners en andere hoogwaardigheidsbekleders het licht gezien. De mens heeft altijd al de hang gehad naar een stukje natuur dicht in de buurt, vol kleuren, geuren en schoonheid. Tuinen zijn zo'n beetje de uitdrukking van dit verlangen. We hebben maar kleine stukjes informatie over tuinen in de middeleeuwen. Maar het schijnt, dat de tuinarchitectuur meer aandacht besteedde aan de spirituele in drukken en het gebruik van details uit de natuur lijke omgeving dan aan het kleureffect van gekweekte bloemen. weinig tuinen uit de Renaissanceperiode zijn nog zoals ze oorspronkelijk waren. Ze zijn inmiddels in grote trek ken veranderd. Het waren al voorbeelden van een ingewikkelde tuinarchitectuur, waarbij dynamische onderdelen van de natuurlijke elementen gebruikt werden. Men probeerde vooral de harmonie tussen woonplaats en tuin te bereiken. Deze Renaissancetuinen waren niet uitsluitend meer het privilege van de adel; welvarende steden gingen hun eigen parken en openbare tuinen aanleggen. In die tijd bestond de samenstelling nog niet uit inheemse soorten, maar hier en daar vond men ook al nieuw ingevoerde soorten. De klassieke tuin had voor alles een representatief karakter. De tuin werd in die tijd ook een goed geintegreerd gedeelte van de bouw van de woning, zowel van kastelen, als stadswoningen en kloosters. Het hoofdmotief van de klassieke tuin is de strenge symmetrie, die ten grondslag ligt aan de architectuur en als gevolg daarvan aan het voornaamste bouwwerk: het paleis is de uitwerking van de hoofdas van de tuin. Het zwaartepunt van de tuin berust bij het front aan de tuinkant. De tuin neemt de functie van het vroegere voorplein over. Het paleis wordt een illustratie van de ruimte van de tuin. De tuin wordt beschouwd als een plein, waarvan het binnenste gedeelte een strikt regelmatig bloemperk omgeven door een haag van hoge groene planten is. Wat betreft de keuze van soorten voor deze tuinen heeft men niet in de eerste plaats plaats gekeken naar bijzondere exemplaren, maar meer naar hun aanpassingsvermogen en vooral of ze bestand waren tegen snoeien. De klassieke tuinen gebruikten vaak Europese soorten, zoals linden en haagbeuken, op hoogten van verscheidene meters, zelfs gesnoeid (zoals bij paleis Schonbrunn in Wenen) of bladbehoudende soorten, zoals taxus en buksboom. Deze laatste werden niet alleen gebruikt voor geschoren randen, maar ook alleenstaand als blikvanger. Vaak hadden ze kunstmatig aangebrachte vormen zoals kegels, bollen of prisma's. De gewone spar vond er ook z'n plaats, hoewel percelen van deze soort op een zeer bijzondere manier gesnoeid werden. Men snoeide de tak ken met behulp van sabels en degens, staande op een stellage die op een platform van boerenwagens was bevestigd. De klassieke tuin bracht enkele elementen, die hun volle opbloei hebben bereikt in parken, aangelegd met gebruikmaking van het natuurlijke relief; grote open plekken, waarbij niet alleen de gesteldheid van het terrein, maar ook waterpartijen werden benut. De voornaamste bijdrage van de klassieke tuin was de vermenging van tuin met omringend natuurlijk milieu. Dit elkaar wederzijds beinvloeden is slechts bij uitzondering geforceerd. Het gebeurde langzamerhand vanzelf. De tuin werd gevormd door lange lanen, met af en toe kleine, aangebrachte versieringen, soms aan de buitenkant van de tuin. De Franse klassieke tuin wordt gekenmerkt door geometrische vormen en harmonieuze beplanting. Men maakte gebruik van rustige waterpartijen en namaak beelden uit de antieke wereld. daar entegen benut de Italiaanse klassieke tuin veel vaker de oneffenheden van het terrein. Men benadrukt het landschap door geraffineerde doorkijkjes en gebruikt beken voor watervallen en fonteinen en fonteinen. De tuinen van Lichtenstein en Zuid-Moravie (200 ha. in Lednice, Tsjecho-Slowakije) blijven karakteristiek door hun harmonie en overeenstemming met de omringende natuur, horwel we hier ook de romantische periode in kunnen herkennen. Het zijn de voorlopers van de grote landschapsparken, Engelse stijl. Deze Engelse tuin, die zich begint te ontwikkelen vanaf de tweede halft van de 18e eeuw, volgt de klassieke tuin op en vindt zijn hoogtepunt in de 19e eeuw. De tendens van terugkeer naar de natuur en de nauwe betrokkenheid met de omringende natuurlijke omgeving werd er in uitgedrukt. De tuin werd niet meer samengesteld uit geometrische bloembedden die verband hielden met de architectuur van de huizen. Er werd veel meer gebruik gemaakt van de natuurlijke ruimtes, volgens de ideeen van de tijd. De grondrrgels voor de onregelmatige tuin of liever gezegd van het Engelse park van de 19e eeuw vinden hun oorsprong in de Engelse traditie. Deze regels beinvloeden bijna geheel Ruropa, in elk land verrijkt met locale elementen. De ontdekkingen in de toen aan de gang zijnde industriele revolutie en an dere ontwikkelingen in de beschaving doen de algemene gedachte naar rationalisme groeien, maar daartegenover ziet men een sterk verlangen naar de natuur. De geestdrift voor de landschapsschilderkunst van die tijd getuigt hiervan. We zien zo in de loop van de 19e eeuw een zeer nauwe relatie tussen de landschapsschilderkunst en de tuinarchitectuur ontstaan. Dit heeft op een zeer positieve manier de stichters van de talrijke Europese parken, die nu nog bestaan, beinvloed. De twee meest interessante parken op het Europese continent bevinden zich heden ten dage in Muskau, bij Cttbus en in Pruhonice, bij Praag. Het eerste werd gesticht op de naam van de prins van Pucklar-Muskau in de jaren 1815-1845 en het tweede door graaf A.E. Silva-Tarouca in 1885. (De houtachtige gewassen van het park in Pruhonice hebben model gestaan voor de meeste illustraties in dit boek.) De scheppers van deze twee natuurparken hebben vergeleken bij hun voorgangers een groot voordeel gehad: in dat tijdperk bezat Europa de meeste uit Azie en Amerika invevoerde soorten al. Men kweekte veel tuinplanten, die vaak het hele jaar door attractief waren door hun kleuren. Bovendien was gedetailleerde kennis van de dendrologie niet alleen mode maar ook noodzaak. De scheppers van deze tuinen hebben vaak de beste dendrologen van die tijd in dienst gehad of waren op z'n minst met hen bevriend. Vaak zijn zij zelf dendrologen van naam geworden, van wie de gespecialiseerde werken nog vandaag als handboek voor de dendrologie dienen, zoals het boek van E.A. Silva-Tarouca en C. Schneider: Unsere Freilandnadelholzer, Wenen, 1923. Deze tuinen zijn geen exclusief kunstwerk meer: Ze zijn minder de uitdrukking van een particulier luxe. Het zijn natuurreservaten van bomen geworden, op wetenschappelijke manier geleid. Ze houden tot in onze tijd onmetelijke documentaire en didactische Waarde.Vandaag kunnen tuinarchitecten er niet alleen inspiratie uit putten, maar ook concreet plantkundig materiaal. |