Home > Bomen en struiken > Nootka Cipres
Nootka Cipres
Klik hieronder om te zoeken in onze website
Nootka Cipres Chamaecyparis nootkatensis
De voornaamste verschilpunten tussen de geslachten Chamaecyparis en Cupressus, tamelijk verwant, zitten in hun kegels. De kegels van de Chamaecyparis zijn klein, worden voor het merendeel rijp in het eerste jaar en achter iedere kegelschub bevinden zich slechts twee zaden, die een vrij brede, dunne vleugel hebben. De twijgen zijn ook verschillend: bij de Chamaecyparis zijn ze bij het afbreken merkwaardig plat. De Nootka cipres heeft kleine ronde of bijna vierkante takjes, altijd op dezelfde hoogte geplaatst. De bladeren zijn egaal groen aan beide kanten, schubbig, soms een beetje lichter van onderen. De takken zijn omhoog gebogen; de buitenste takjes zijn hangend en geven uit de verte de indruk van lange franje. De schubbige bladeren zitten dicht tegen de twijgjes aangedrukt, aan de buitenste takjes staan ze iets uit elkaar. Hun kam is kielvormig of ovaal. De mannelijke katjes zijn geel, de kegels rond, ongeveer 1 cm lang, rood-bruin, gepoederd. Ze zijn in de lente van het volgend jaar rijp. Ze hebben 4-6 schubben met rechte, puntige uitsteeksels. Het hout van de Noordka cipresbezit buitengewone eigenschappen. Het is heel duurzaam, geel en aromatisch. De Nootka cipres leeft op de westkust van het Amerikaanse hoge noorden. Hij groeit overvloedig rondom de baai van Nootka, op de noordelijke eilanden van de kust van Alaska, in Brits Columbia en aan de oevers van de Oregon. Verder naar het binnenland groeit hij ook in het Cascadenmassief, op 44 graden noorderbreedte, op vochtige, zanderige bodem en alluviale gronden. Hij is pas in 1850-1854 in Engeland gekomen. Hij wordt vaak in parken aangeplant. De boom wordt ongeveer 40 meter hoog, heeft een smalle piramidevormige top, die kleine afhangende takjes heeft. Voor Alaska heeft deze boom economische betekenis. |