Home > Bomen en struiken > Ruwe iep

Ruwe Iep


Klik hieronder om te zoeken in onze website


                    Ruwe iep
Ruwe iep of Bergiep
Ulmus glabra

De ruwe iep is de tweede Europese iepensoort waarbij de iepziekte heeft toegeslagen, hoewel hij er op sommige plaatsen nog weerstand werd in de hand rewerkt door het feit dat het een soort betrof die in de bergen groeit, met name in de Karpaten op meer dan 1000 meter hoogte. Hij kwam oorspronkelijk veel voor in een groot deel van Noord- en Midden-Europa, met inbegrip van Engeland, vooral op rotsachtig terrein, in gemengde bossen, maar gewoonlijk verspreid. De grote hoogte samen met de verspreide bestanden vormen in de eerste fase van de epidemie natuurlijk beschermende factoren, De typische kenmerken van deze soort vinden we weer in de verschillende benamingen: glabra betekent glad (schors van de jonge boom), scabra duidt op het gerimpelde loof en montana op de bergachtige streken waar hij leeft. De bergiep heeft een sterke stam, die wat smaller wordt als hij hoger wordt. De bruin-rode takjes zijn behaard en de jonge takken zijn voorzien van schors. Het blad, dat afvalt en verspreid staat, is dun en zacht, afgerond aan de voet en asymmetrisch. Het is 9 tot 15 cm lang en heeft een groot aantal paren nerven (ongeveer 20). Elk blad heeft een dubbelgezaagde bladrand en soms drie lobben vlak bij de top. De bloemen, in hoofdjes, zijn zittend; ze verschijnen voor het blad, begin april. Ze zijn tweeslachtig en hebben een bloembe kleedsel van 4 tot 6 bloembladen en 5 tot 6 meeldraden. De gevleugelde doorsvruchten worden vroeg in juni rijp. De zaaddoos bevindt zich vaak temidden van een vliezige vleugel of excentrisch hierin. Hij kiemt snel. Deze boom bereikt soms een hoogte van 40 meter. Het is een Europese bosbewoner, die belangrijk is vooral vanwege het hout.