Home > Dieren > Paarden > Haarkleur en aftekening

Haarkleur En Aftekening


Klik hieronder om te zoeken in onze website


                                            haarkleur en aftekening        
HAARKLEUR EN AFTEKENING VAN HET PAARD

Hoewel de haarkleur van een paard slechts in zeer geringe mate invloed op zijn gebruikswaarde heeft, kan toch een
nauwkeurige kennis van kleuren en aftedeningen met het oog op een herkennen en het omschrijven van paarden niet gemist worden.

    De huid van het paard is over zijn gehele lichaam decht met haren bedekt. Die beharing is echter zeer fijn op de oogleden, in de neusgaten, aan de binnenkant van de schenkels, aan de uier bij de merrie en de koker van de ruin en hengst, aan de aars en de schede van de merrie. De lengte en de hoedanigheid van het haar dat het voerige lichaam bedekt, hangt af van het ras (hoe edeler het paard,des te fijnef, zijde-achtiger is het haar) en van de staltemperatuur, de verzorging, de voeding en de gezondheidstoestand van het paard. de dekhaaren staan staan scheet in de huid geplant en wel op grote vlakken in jdezelfde richting, zodanig dat ze elkaar dadpansgewijze bedekken. Op die manier wordt het afvloeien van de regen bevorderd en vormen ze een zekere bescherming tegen de wind.

   De algemene richting, waarin de haren gelegen zijn, verloopt vanaf het hoofd achterwaarts naar de staart. Plaatsen waar haren vanuit verschillende richtingen bij elkaar komen (b.v. op het voorhoofd, op de borst, op de lendenen) noemt men 
'wervels'.

   Het paard verwisselt zijn dekharen in het voorjaar en in de herfst. het zomerhaar is bij een gezond kort, fijn en glanzend; het winterhaar is daarentegen lang, wollig en minder glanzend. Gedurende het haarwisselen (verharen) is het paard gevoelig voor ziekten en daarom moet men het in die tijden enigszins optzien.

   Behalve deze periodiek wisselende dekharen bezit het paard op bepaalde lichaamsdelen nog langere en sterkere en sterdere haren, die een bijzondere taak hebben en dan ook niet wisselen in de verharingsperiode. De haren van manen en staart zijn bijzonder lang en krachting en hebben allereerst het afweren van insekten tot taak. De wimpers beschermen het oog voor het indringen van stof e.d. De hier en daar bij de  mond en neusgaten voorkomende tastharen zijn vooral bij het eten van belang. 

   Aan de hand van de haarkleuren kan men de paarden indelen in: bruinen, zwarten, roden, gelen, muisvalen en witten. Voorts zijn er - naast deze eenkleurigen - nog zgn. Gemengdkleurige paarden: schimmels, bonten. Alle kleuren hebben weer nun varities. Bij de bruine kleur kent men zwartbrrin, donkerbuin, kastanjebruin, roodbruin, geelbruin, reebruin en goudbruin.

   Het zgn. rode haar noemt men ookwel voshaar en dit komt voor als: rood-, goud-, leem-, koper-en koolvos, terwijl een zweetvos meestal een donkere (koffie-)vos is met lichte manen en lichte. Goudvos en goudbruine hebben een gordglans over het gehele lichaam.

   Het verschil tussen vos en bruin is in het algemeen dat een bruine steeds zwarte staart, manen en onderbenen heeft, terwijl een vos deze heeft in dezelfde kleur van de dekharen (of lichter).

   Zwarte   paarden zijn onderling zelfs nog verschillend. Zomerzwarten zijn paarden waarvan de zwarte haren in de zomer
bruinig of rosseg van kleur worden.

   Het verschil tussen zwartbruine en een zwarte is te zien aan de bruine haren bij de neus en de liezen bij eerstgenoemde.

   De gelen of isabellen kan men indelen in paarden met een lichte en met een donkere huid. Die met een lichte huid (waarop dus de lichte haren) zijn de echte, de andere zijn de on-echte isabellen (in get Duits ook wel ' Valken ' genoemd) did tevens donkere manen en dondere staart hebben. Voorts een aalstreep, soms schouderstrepen en een kruis.

   Muisvale paarden zijn zeldzaan, ondat deze kleur een zgn. wildkleur is en bij oerwildpaarden (Tarpan) en ook wel bij de Dulmener Wildlinge voorkomt.

   Een wit paard is wit geboren en niet, zoals bij een veranderlijke schimmel, wit geworden.

   De paarden die donkere dekharen hebben maar tevens witte haren overal op het lichaam verspreid, noemt men stekelharig. Zijn de witte haren in de meerderheid dan spreekt men van schimmels. Al naar gelang de bijbehorende donkere haarkleur spreekt men van blauw- en roodschimmels, bruinschimmels, moorkoppen (zwart hoofd), ijzerschimmels, muskaatschimmels enz. De veranderlijke schimmels worden op de duur wit. Men kan zien of men met een onveranderlijke scel te doen heeft (die dus altijd schimmel blijft)  wanneer men het puntje van de staart bekinkt. Is dat zwart (fonkrt) dan blijft het paard schimmel. Heeft men te doen met een geappelde schimmel ( zgn. appelschimmel) dan is dat altijd een veranderlijke schimmel, die dus zijn donkere haren en daarmede ook zijn appeltjes verliest. Bruinschimmels en moorkoppen zijn onverander lijk. Tijgerschimmels hebben op het dondere grondhaar grotere witte vlekken over het gehele lichaam, maar bij tijgerpaarden is dat juist omgekeerd.

   Bonte paarden hebben grotere plekken wit haar, afgewisseld met grotere plekken donker haar. Men kent rood- en zwartbonten.

   Enkele rassen hebben bepaalde kleuren als raskenmerk: isabel: Fjordenpaard, vos: Suffolk en Haflinger, Fries: zwart, Clevelander: bruin.

   Aangeboren witte plaatsen van verschillende grootte en vorm aan hoofd en ledematen van het paard noemt men aftekeningen. De huid onder deze plaatsen is een is eveneens licht, zonder pigment. Men moet hiermee vooral niet de verkregen  witte psekken verwarren. Deze ontstaan meestal op de plaats van een vroegere wond (zadeldruk, borsttuigdruk, val op de voorknie e.d. ). Men kan ze herkennen aan de huid eronder, die wel gepigmenteerd is.

   De aftekeningen op het voorhoofd hebben alle een naam, al naar gelang grootte en vorm. Een lange streep over de neus heet bles en die kan ook weer onderscheiden worden in smalle, brede, doorlopende en andere spprten blessen.

    Aan de benen onderscheidt men eveneens met vastgestelde namen de aftedeningen. De namem zijn voor voor- en  achterbenen gelijk. Men moet duidelijk aangeven welk been het betreft en zo nodeg ook nog of het de binnen- of buitenzijde betreft.

   Meestal zal een hoef onder een witvoet e.d. ongekleurd hoorn vertonen. Dit is in zoverre van belang dat ongepigmenteerde haren, huid en hoorn in de regel minder weerstand tegen invloeden van buiten bieden dan wel gepigmenteerde.