Home > Dieren > Paarden > Paardenstal en paardenstallen

Paardenstal En Paardenstallen


Klik hieronder om te zoeken in onze website


Paardenstal - Interieur maken:

De eisen welke wij aan exterieur en interieur van ons paard stellen, zijn, al naar gelang het gebruim, verchillend. Onder welke gezichtshoeken wij het ook bekijken, er zijn bepaalde voorwaarden waaraan elk paard mote voldoen. Bekijken wij eens zijn totale voorkomen, waarbij wij mogelijke kleine  exteroeir-tekortkomingen verwaarlozen (een volmaakt paard bestaat net zo min als een volmaakt mens!) dan moet het paard een bepaald 'rastype' tevens 'verrichtingstype' vertegenwoordigen. Een paard dat 'ras-typisch' is, bewijst daarmee dat het doorgefokt is en daarmede de aanleg vooe bepaalde ver richtingen van zijn ras bezit. Duidelijk zichtbare omlijning, droog spierweefsel, soliede beenwerk, duidelijk zichtbare 'points', adel in het gehele voorkomen, geven gelegenheid conclusies te trekken ten aanzien van zijn energie, zijn zenuwen, zijn gardheid en zijn verrichtingsvermogen.

 Wij verangen van ons paard dat het goede verhoudingen heeft; dat het harmonisch gebouwd is. Dat wil dus zeggen dat er een bepaalde verhouding bestaat van de onderdelen van het lichaam tot  elkaar: de voorhand tot de achterhand, de lengte tot de hoogte. Tevems netelemt dit dat' grote lijnen' het beeld van het paard bepalen: dat de gals en de schouder lang, het kruis en het bekken breed en lang, de borst diep moet zijn. De Duitser spreekt in dit verband van 'Rahmen en zegt, dat een paard 'viel Rahmen' moet hebben.Met grootte heeft dat niets te maken, want het zal wel duidelijk zijn dat een kleine pony wel en een groot paard geen 'Rahmen' kan hebben.

Nog moeten we twee begrippen definieren. Begrippen welke wij bij de beoordeling van ons paard gebruiken: formaat en kaliber. Onder 'formaat' van een paard verstaat  men de verhouding van de lengte van de romp tot de schillend. De hengst is meestal meer vierdant dan de merrie, die meer rechthoekig is, terwijl de ruin daartussen in staat. Ook is - zoals gezegd - het ras van invloed op deze verhouding. Bijvoorbeeld zijn er procentsgewijze onder de Oosterse paarden meer vierkantapaarden dan bij andere rassen. Dat geldt zelfs voor alle geslachten. De verhouding van gewicht tot schofthoogte noemt men 'kaliber' . 

Laten we thans het exterieur van het paard in detsils bekijken. Een klein, droog hoofd verdient de voorkeur boven een zwaar, ordinair, lonp hoofd, hoewel de invloed daarvan op de gebruikswaarde gering is. Niet te lange,bewegelijke oren, grote, open, levendige ogen en wijde neusgaten maken het hoofd mooier. Afwijkingen, welke veelal een raskenmerk zijn, treft men dekwijls  aan op de neuslijn, die namelijk recht, bol (convex) of hol (concaaf) kan zijn. 

De overgang van hoofd in gals moet soepel en fijn zijn (met een lange nek en zichtbare halsinsnijding). De hala moet daarentegen goed  gespierd aan de romp gezet zijn en hij mag in zujn totale verschijningsvorm niet te kort zijn. Een zeer korte, dikke of een overmatig lange dunne hals biedt de ruiter bijzondere moeilijkheden.

Wat de schoft betreft, is het van minder belang dat zij bijzonder hoog, danwel dar zij lang en gespierd  is om samen met een eveneens sterk gespierde, rechte rug en voldoende ribbenwelving een goede ligging van het zadel te verzekeren. De verkeerde rugvormen, zoals karper- of zadelrug, zijn minder geschikt voor de rijdienst en wijzen op de mogelijkheid van een zwak gestel. Lage doornvormige en dwars- uitsteeksels der wervels zijn voor de aanhechting van de rugspieren gunstig.

De borst moet diep zijn, opdat er voor de ontwikkeling en werking van hart en longen voldoende ruimte is. De breedte is minder belangrijk en alleen bij trekpaarden van belang.

De voorste ledematen zijn met sterke spieren aan de romp verbonden. De ligging van de schouder is beslissend voor de wijze van gaan  (ruimte en actie); hoe langer en schuiner het tevens goed gespierde schouderblad is, des te grnstiger is dat voor de beweging. Debovenarm (loopt van boeg naar elleboog) moet met de schouder ongeveer een rechte hoek vormen; hij kanevenals de onderarm - niet sterk genoeg geswpierd zijn. De voordnie (handwortelgewricht) moet massief, breed, droog en duidelijk afgetekend zijn. In verhouding tot de onderarm moet de pijp van het voorbeen kort zijn. Voor de kogel geldt hetzelfde als voor de voorknie. Een veerkrachtige, maar ook krachtige koot, noch te lang, noch te kort en een  gezonde hoef met goed gevormde straal vervolmaken get geheel.

Omdat de drang-naar-voren (impuls, 'Schwung' ) voor alle bewegingen  van de achterhand uitgaat, moet dus die achterhand en haar verbinding met de rug zo krachtig mogelijk ontwikkeld zijn. Brede, sterde en vaste lendenen kunnen de impuls en voorwaarts drijvende kracht van de achterhand via de rug op de voorhand overbrengen. Het kruis wordt gevormd door de grootste spiermassa's van het paardelichaam. Het moet lang, britenzijde, als de zgn. Broek,ver naar beneden reiken. Het bekken moet zo lang mogelijk en schuin gelegen zijn.

 Voor get spronggewicht geldt wat over de andere gewrichten is gezegd: het moet massief, breed, droog, duidelijk afgetedend zijn en goed aangezet aan de pijp. Ook de pijpen van het achterbeen moeten kort zijn. Een hoog engeplante staart voltooit het goed gevormde kruis.

Een paard met correcte stand van voor- en achterbenen heeft op een paard met afwijkende stand voor, dat het een beweging heeft, omdat elke afwijking automatisch een minder goede verrechting met zich brengt.

Omdat er nu eenmaal geen paard bestaat zonder een afwijking in het exteroeir, is het van belang ook het innerlijk te leren bekijken en beoordelen. Want het is mogelijk dat goede innerlijke eigenschppen de exterieurgebreden van een paard kunnen vereffenen. Het tegendeel is  echter niet mogelijk! De uitdrukking van de ogen, het orenspel, de staartdracht, het reageren op de omgeving, de belangstelling voor wat er gebeurt  in de beurt, de wijze waarop het zich beweegt, geven ons inzicht in de zielstoestand van ons paard, een blik op zijn karakter, zijn timrerament, zijn intelligentie, zijn bereidwilligheid om te leren en te werken en ook op zijn vermogen daartoe.