Home > Dieren > Vogels > Eend > Bergeend

Bergeend


Klik hieronder om te zoeken in onze website


                   bergeend
BERGEEND
Verspreiding : West-Europa, Zuid-Oost-Europa, Centraal Azie tot China, zeldzaam in Camargue (Fr.) en in Noord-Afrika (Tunesie). Veldkenmerken : Grote gans-achtige en overwegend witte eend, met donkergroene kop en hals, een kastanjebruine borstband, een groene vleugelspiegel en vleeskleurige poten. Rozerode omgebogen snavel met knobbel in de lente bij de woerd, minder opvallend bij de kleinere eend en bij de juveniele vogel : deze mist de borstband en zwarte armpennen en heft witte wangstrepen. Donskuiken grijswit met donkere kop, grauwe snavel en poten. Tijdens het voorjaar vaak zeer rumoerig en strijdlustig.
Biotoop : In Belgie vooral zandige vlakke terreinen of duinen de zeekust; elders ook slikken en schorren en zandbanken in stroommondingen en ook plaatselijk zandige heide of opgespoten terreinen dieper in het binnenland, wanneer er ondiep water (liefst zijt of brak) en konijnepijpen of andere gaten aanwezig zijn. Als voedsel vooral waterslakken en mossels, ook kleine schaaldieren, veel minder planten, visjes en insektenlarven.
Voortplanting : Vanaf enide april of vroeger en tot in juni-juli nog kleine donsjongen meestal 7-8 tot 12 witte, licht roomkleurige, grote gladde eieren, in vrij diepe nestgang onder de grond, in hooi-oppers, tussen stro of schorreplanten. Nest met veel witgrijs dons en weinig gras. De eend broedt = 28-29 dagen, woerd waakt op korte afstand en begeleidt ook de kuikens naar het open water; later een sort ‘kribbe’ met 1 adulte bergeend : zelfs eens met 74 jongen op bij Antwerpen. Na = 42-44 dagen (tot = 60) vliegen de jongen. Per jaar 1 enkel broedsel.
Verplaatsingen : Ruitrek van juli tot September en later verenigt de ganse West-Europese populatie vooral in de Duitse bocht, bij Knechtsand, enkele duizenden ook in Groot Brittannie (Bristol-kanaal) en in de Scheldemonding (Nerderland).
Herkenbaar aan zijn afwisselend zwart, wit en kastanjebruin verenkleed, is deze vogel ’s winters in groepen tezien in riniermondingen en op modderbanken. Groepen komen ook landinwaarts voor, op zoutmeren en in semi-aride gebieden. Bergeenden zoeken voedsel door met hun snavel over het slik of in ondiep water te slobberen. Ze eten kleine schelpdieren, schaaldieren, insektelarven en wier. De vogels broeden landinwaarts en leiden de kuikens zodra ze uitgekomen zijn naar het water. Na het broeden trekken de volwassen vogels voor de jaarlijkse rui massaal naar grote modderbanken in zee, veilg voor rovers; de vogels kunnen dan namelijk niet vliegen.
NEST Holte in boom of talud, of een kuiltje onder struiken, bekleed met dons, op enige afstand van de kust.
VERSPREIDING Broedt in N. W.-Eeropa en van Z.-Europa tot Centr.-Azie en N.-China tot O.-Siberie. Overwintert tot in N. W.-Afrika, Pakistan en Z. W.-China.