Home > Dieren > Vogels > Eend > Witkopeend

Witkopeend


Klik hieronder om te zoeken in onze website


                   witkoopeend
WITKOOPEEND
Verspreiding : Zuid-Europa, Westelijk en Centraal-Azie en Noordwest-Afrika.
Veldkenmerken : Een kleine en gedrongen duikeend : de woerd bezit een witte kop met smalle, zwarte schedlstreep en een brede halsband, verder een blauwe gezwollen snavel en een roestbruine brost en flanken. De start is zeer puntig en wordt vaak naar omhoog gehouden. Wijfje en jongen hebben vuilwitte kopzijden met een bruine streep erdoor. Duikt vaardig, gemiddeld 12 tot 27 sekonden lang, maximum 120 sekonden. Vliegt met zware vleugelslag, laag over het water. Zwijzaam, behalve tijdens de balts.
Biotoop : Zoete en licht-brakke waterplassen met een brede vegetatiegordel, een open waterspiegel en een diepte van 0,50 m. tot 1 m. Tijdens de trek op allerlei waterlopen. Eet overwegend plantaardig voedsel : algen, fonteinkruid, zaden van waterplanten, ook wat insekten en hun larven.
Voortplanting : Vanaf enide mei tot in juli 5 tot 10 grauwwitte tot zwak groenachtige grote eieren in een grote nestkuil onder overhangend riet of andere waterplanten, belegd met groene stengels, wat bladeren en vaak met dons. Oude futen, duikeenden en meerkoet-nesten dienen soms als basis voor het nest. Twee wijfje leggen vaak samen in 1 nest (12 tot 15 eieren) doch dit schijnt geen bezwaar te zijn voor het lukken van die broedsels. De broedduur zoe 25-27 dagen bedragen (?) en de kuikens vliegen na = 5 weken. Ook de woerd zou soms een rol spleen bij de begeleiding van de jongen.
Verplaatsingen : Standvogel in het zuiden en trekvogel in het Noorden : de meeste over-winteraars vindt men in Egypte (Nijldelta), in lrak en zelden tot in N.W.-Indie.
Een duikeend van zoetwatergebieden, riviermondingen en brakwatermeren, een van de ’stijfstaart’-soorrten. De staart ligt normaal in het water, maar staat tijdens de balts verticaal rechtop. De witkopeend geeft de voorkeur aan open, ondiep water met een rietkraag, waar hij waterplanten en waterinsekten eet. Hij zelden aan land, waar hij zich moeilijk kanvoortbewegen.
NEST Holte in een boom of kuiltje in de grond.
VERSPREIDING Deoedt van Z.-Spanje tot het Midden-Oosten en Centr.-Azie. Oostelijke populaties trekken tot N. W.-India.