Home > Dieren > Vogels > Kievit
Kievit
Klik hieronder om te zoeken in onze website
 KIEVIT Verspreiding : Europa en Azie. Veldkenmerken : Grote en opvallende plvallende plevierachtige met zwarte spitse kuif (vooral het mannetje), zwart-groenglanzende vleugelbovenzijde en borstband, roestkleurige onderstaart-veren, vuilwitte wangen met zwarte streepjes rond het oog (bij het wijfje doffer) en met een korte zwarte snavel. Vliegend met brede, afgeronde vleugels die bij de buitelende balts-vlucht een zwaar zoevend geluid maken. Roep : 'iewit'; zang : 'wiet-oe-wie'. Biotoop : Vooral vochtige en uitgestrekte weilanden met kort gras, akkerland in de nabijheid van weiden en vochtige heide met korte begroeiing (dopheide bv.); komt echter ook voor in duinpannen, in de slijkbedding van droge vijvers, op afgebrande heide en op allerlei kale terreinen. Tijdens de trek graag op overstroomd weiland, in moerassen, weiden en akkers zonder hoge begroiing. Eet insekten, regenwormen, slakjes, schaaldiertjes, toevallig ook zaden en algen. Voortplanting : Vanaf maart : meestal in april, en zelden tot in juni-juli; bijna steeds 4 bruingele eieren met zeer zware zwartbruine vlekken, met de punten naar mekaar in een plat nestkuiltje met wat dor gras, stro of worteltjes, op de kale grond of tussen kort gras of heide. Beide partners broeden (het ijfje meest) gedurende = 23 tot 31 dagen. Na = 6 weken vliegen de jongen. Per jaar 1 broedsel, maar soms meerdere vervanglegsels. Verplaatsingen : Gedeeltelijk standvogel tijdens zachte winters. Deze opvallende vogel van weide en akkers valt het meest op in het voorjaar als het mannetje boven zijn territorium een duikelende baltsvluchtuitvoert met luide ’kiewiet’-kreten boven. De soort fouraseert bij voorkeur op begraasde weiden en jaagt op gezicht, met korte sprinte en plotseling uitvallen op de grond pikkend. Zijn voedsel bestaat uit wormen, insekten en andere kleine ongewervelde dieren. Na het broeden vormen de vogels groepen. Die trekken naar warmere overwinteringsgebieden, meestal in het westen. NEST Kuiltje, uitgeschraapt met de poten en gevormd onder lichaamsdruk, in open grond of in gras, dekleed met stengels en gras. VERSPREIDING Broedt in heel Eurazie. Overwintert z over zuidelijk als N.-Afrika en N. W.-India, maar voornamelijk in Europa. |