|
|
Home > Dieren > Vogels > arend > Dwergarend
Dwergarend
Klik hieronder om te zoeken in onze website
 DWERGAREND Verspreiding : Zuid-Europa, zuidelijk West- en Centraal-Azie en Noordwest-Afrika. Veldkenmerken : Is niet groter dan een buizerd, doch heft een langere start en wat slankere vleugels. De lichtgekleurde faze, in West-Europa veel gewoner dan de donkere, vertoont een witte onderzijde en een ongestreepte start en vooral een groot driehoekig wit veld op de voorzijde van de gespreide vleugels, waartegen de donkere vleugelpunten afstekn. Jaaget stootduikend tussen de bomen en heft dan een veel snellere vliegwijze dan de buizerd. De roep (bij het nest) klinkt als ‘klieja-klieja’, zeer luid en klankvol, naast een scherper ‘kie-kie’. Biotoop : Loofwouden en met naaldhout gemengde loofbossen, vooral in bergstreken. Waar er echter weinig bomen voorkomen, zoals in Spanje en nog meer in Marokko, leven de dwergarenden echter ook tussen volkomen kale rotspartijen waar dan ook het nest komt. Witte abelen zouden als nestbomen een zekere voorkeur genieten. Voortplanting : Vanaf halr april doch vooral in mei meestal 2, soms 1 en zeer zelden 3 witte eieren met blauwgrijze schijn en met of zonder enige rossige vlekjes. Het nest zit vrij hoog in een boomkruin, op 8 tot 10 meter hoogte of nog hoger, en lijkt wat op een buizerdnest, doch zelfs wanneer er reeds jongen zijn wordt het steeds opge-smukt met verse bladeren en groene twijgen, door het wijfje, dat regelmatig door het mannetje van voedsel voorzien wordt tijdens die periode : in geval 23 maal tijdens 6 dagen, met 1 jong van 20 dagen : voor de helft groene hagedissen als hoofdprooi. Het wijfje broedt alleen gedurende = 35 dagen en verdeelt ook het aangebrachte voedsel aan de jongen. Jaarlijks 1 enkel broedsel, vaak op het nest van het jaar tevoren. Verplaatsingen : Trekvogel die in tropisch Afrika overwintert, tot in Centraal-, oostelijk en zuidelijk Afrika, waar dan de sort van september tot maart-april kan verblijven.
|
|
|