Home > Dieren > Vogels > Blauwe kiekendief

Blauwe Kiekendief


Klik hieronder om te zoeken in onze website


                   BLAUWE KIEKENDIEF
BLAUWE KIEKENDIEF

Verspreiding : Europa, Noorden van Azie en van Noord-Amerika.
Veldkenmerken : Het mannetje is bleker blauwgrijs en minder slank dan dat van de grauwe kiekendief, die zwarte vleugelstrepen bezit doch op de staartbasis de helderwitte stuitvlek mist van deze sort. Het wijfje is bleker bruin, heeft ook een grotere witte stuitvlek en bezit vooral een rechtlijniger vliegwijze (zonder scherpe ‘haken’) dan het slankere wijfje van de grauwe kiekendief. De jongen hebben overlangse strepen op de onderzijde die minder roodbruin is dan bij de grauwe kiekendieef. Baltsvlucht : een reeks dutgevoerd. Roep : ‘kiejie ‘(wijfje), ‘piew-tjek-kek’ (beiden :als groet), verder : ‘kiep-kiep’ (alarm van het wijfje).
Biotoop : Open landschap zoals heide, hoogveen, duinen, korenvelden, weiden en vooral zeer jonge naaldhout-aanplantingen. Is van alle Europese kiekendieven het minst gebonden aan moeras. ‘s Winters grag in vlakten en schorren. Jaagt vooral op kleine knaagdieren, minder op vogels.
Voortplanting : Van eind april tot mei en later, tot begin juli (vervanglegsels) vaak 4, meestal 5, soms 6 en zelden meer, tot 8 zeer lichtblauwe tot vuilwitte eieren, bij vervang-legsels meestal 2-3 eieren. Het bodemnest liggt tussen heide, biezen of andere lage be-groeiing, in Noorwegen ook in wilgenstruiken. Eileg met 2 dagen tussenpoos, 29-30 dagen bebroeding door het mannetje van voedsel voorzien wordt, in volle vlucht. De jongen vliegen uit na 31 tot 35 dagen.
Verplaatsingen : In het Zuiden standvogel, elders trekvogel die van einde augustus-september wegtrekt om in mart-april terug te keren.
Deze soort is karakteritiek voor de kiekendieven, hij jaar door in lage, snelle glijvlucht de grond af te zoeken. De vleugels staan meestal in vlakke V-houding. Zo kan de vogel kleine of verzwakte vogels, kleine knaagdieren en zelf grote insekten verrassen. De soort leeft in open gebied, zoals heidevelden, moerassen, steppen en duinen.
NEST Hoop kleine takken, gras en rietstengels op de grond, verscholen in dichte begroeiing.
VERSPREIDING Broedt in bijna heel N.-Amerika en Eurazie. Overwintert tot in Centr.-Amerika, N.-Afrika en Z. O.-Azie.
N. B. Vrouwtjes zijn groter dan mannetjes.