Home > Dieren > Vogels > fuut > roodhalsfuut

Roodhalsfuut


Klik hieronder om te zoeken in onze website


                         roodhalsfuut
ROODHALSFUUT
Verspreiding : Europa, W. en O. van Noord-Azie en N.W. van Noord-Amerika.
Veldkenmerken : kleiner dan de fuut, kortere en dikkere hals en met steeds minder wit; snavel met veel geel, aan de basis vooral. In winterkleed zwarte schedelkap tot onder de ogen, vrij ronde kop, grauwbruine halszijden. In prachtkleed hals, korte kuifveren, zwartbruine bovenzijde, wangen en keel wit omlijnd. Dubbele vleugelspiegel met minder wit dan bij de fuut. Roep : 'ga', 'gek', 'kek', 5 maal naeen.
Biotoop : Verlandende vijvers (minimum 1,5 tot 3 Ha.) en met waterplanten begroeide meren, minder op open water dan de fuut. Woont vaak nabij meeuwenkolonies, eenden of meerkoetennesten. Tijdens de trek ook op zee en op meer open water. Voedsel : vis('s winter vooral), waterinsekten, kikvorsen, weekdieren, eigen veren en resten van waterplanten.
Voortplanting : Van einde april, meestal in mie-juni en tot juli (nalegsels) meestal 4 of 5,vaak 3 (in Estland), uitzonderlijk 2 of 6 roomkleurige eieren die later roestkleurig worden, op halfvlottend nest van rottende plantenresten (57 x 37 cm. groot). Broedduur : 22-23 dagen, soms langer (koude, storingen). Beide partners bouwen en broeden. De donkerbruine tot grijze jongen met zwartbruine strepen en vlekken gaan na 14 dagen reeds weg van de ouders en zijn na 8-10 weken zelfstandig.
Verplaatsingen : Overwegendtrekvogel die tot in de Middellandse zee overwintert (ook in N.  Afrika), zelden nabij het broedgebied. De terugkeer gebeurt in maart-april, vertrek einde juli-begin augustus.