Home > Dieren > Vogels > Gans > Kolgans
Kolgans
Klik hieronder om te zoeken in onze website
 KOLGANS Verspreiding : Noorden van Eurazie en Noord-Amerika. Veldkenmerken : Kleine gans (rietgans en grauw gans duidelijk groter) met roze snavel (geel-oranje bij de donkerder ‘flavirostris’) en oranje poten, adulten met brede zwarte buikstrepen en witte voorhoofdsbles. Vaak in grote groepen bijeen, luuidruchtig roepend : ‘kau-lie’, ‘kie-lie’ (hoog, snel). Biotoop : Bewoont arktische toendra, ook drogere struik-toendra, Liefst nabij de zeekust. Als voedselgebied vooral drassig weiland, ook ‘s winters, zelden op akkerland. Slaapt vaak op open water (liefst ondiep) in meren (Oostenrijk) of stroom-deltas (Schelde bv.), soms in weiland : Damme. Eet vooral gras, zelden koren, zegge, wolgras, zout-minnende planten, enz. Voortplanting : Einde mei-juni (in Siberie pas na 15 juni) 5-6 (zelden 3, 4 of 7) geelwitte eieren in ondiep nestkuiltje, met gras, twijgjes en nestdons belegd, op een heuveltje of in een graspol, nabij het water. Geen kolonievorming zoals bij andere ganzensoorten. Het wijfje bouwt en broedt = 26-28 dagen lang, het mannetje waakt dichtbij. De jongen zijn na = 5 weken vliegvlug. Er is 1 broedsel per jaar en zelfs geen tijdens ongunstige jaren. Verplaatsingen : Vanaf einde augustus wordt het broedgebied verlaten door de ruiende ganzen (rui-trek) die dadelijk daarna Zuidwaarts trekken : einde September komen de eerst overwinteraars aan. |