Home > Dieren > Vogels > Lijster > Tibetaans roodkeeltje

Tibetaans Roodkeeltje


Klik hieronder om te zoeken in onze website


TIBETAANS ROODKEELTJE, Erithacus pectoralis tschebaiewi
(ca. 16 cm)
Kolonel Prjevalsky ontdekte deze ondersoort van het Roodkeeltje, Erithacus pectoralis in Mongolie aan de opvallende witte baardstrepen en het uitgebreidere rood op de keel. Het woongebied strek zich van Tibet uit tot het Kansu-gebergte en Noordwest-China, maar de vogels schijnen ook wel te broeden in Noord-Birma en Noord-Sikkim. Ze overwinteren in Assam, Oost-Pakistan, Sikkim, Bhutan en Birma.
Het zijn bewoners van alpine regionen, langs beekjes en stroompjes met spaarzaam struikgewas. Ze houden zich vrijwel steeds op de grond op, waar ze naar insekten zoeken, die hun voedsel vormen. De gespreide staart zetten ze omhoog en hun vleugels laten ze hangen en trekken ze zo nu en dan met een kort rukje weer op. Ze rennen als muizen zo vlug onder de struiken door om zich aan spiedende blikken te onttrekken. In de broedtijd laat het mannetje van de ochtend tot diep in de nacht zijn korte liedje horen; als het regent laat hij echter geen geluid horen. Nesten werden tot aan de boomgrens aangetroffen in een takkebos of dicht gras. Ze waren overwelfd en met fijne grassen bekleed. Het bouwsel was losjes en bevatte 5 ovaalvormige eitjes. Het vrouwtje broedt zo vast dat ze van het nest genomen kan worden.
Het mannetje onderscheidt zich door donker olijfbruine bovendelen, witte wenkbrauw- en baardstreep, een zijdeachtige rode keelvlek, een zwarte streep tussen keel en baardvlek en zwarte teugels en krop. De borst, buik en anaalstreek zijn wit, de flanken grijs.
Het eenvoudig gekleurde vrouwtje is olijfgrijs op de bovendelen en vuilwit en grijs op de onderdelen en heeft een witte baard- en wenkbrauwstreep.