Home > Dieren > Vogels > Patrijs

Patrijs


Klik hieronder om te zoeken in onze website


                   PATRIJS
PATRIJS
Verspreiding : Europa en West-Azie.
Veldkenmerken : Vrij dikke hoenderachtige met korte roestrode staart, rossige kop en kastanjebruin brostschild in hoefijzervorm (minder opvallend bij de wijfjes). De bovenzijde is aardbruin, de borst grijsblauw en de vleugels afgerond, wat de luidruchtige snorrende vlucht verklaart. Roep : 'kierek', 'kerr-vit', 'pik', 'ripriprip' (opgeschrikt). Balts (vanaf januari) met veel geroep.
Biotoop : Niet te intensief bewerket akkers met hagen en struikgewas.
Voortplanting : Van begin mei of vroeger : tot in juli (nalegsels) maar meestal in mei en begin juni 9 tot 20 ongevlekte olijfbruine tot grauwgroene eieren (vaak 10 tot 19, soms meer, tot 24 = 2 wijfjes; nalegsels soms slechts 6 tot 9 eieren) in een ondiep nestkuiltje met wat droog gras en soms enkele veertjes, meestal goed verborgen onder de bodem-vegetatie. Bebroeding = 23-26 dagen, terwijl de wacht blijft in de omgeving. De jongen worden door beide ouders verzorgd en vliegen reeds wat na 16 dagen. Tot 's winters in familieverband, soms grote groepen samen.
Verplaatsingen : Overwegend standvogel die slechts op korte afstand teruggevonden wordt.
Dit is een van de meest algemene jachtvogels van zijn verspreidingsgebied. De populatie wordt soms kunstmatig hoog gehouden voor de jacht. In de lente leven patrijes, in de herfst vormen ze koppels (sociale groepen) die soms wel 20 vogels tellen. De vogels fourageren op de akkers, waar ze zadem, insekten en granen eten. Bij alarm drukken ze zich plat op de grond, gecamoufleerd zien ze er dan uit als een aardkluit. Bij directe benadering schiet de vogel laag over de grond, in een snelle ontsnappingsvlucht uit zijn schuilplaats, met een nauwelijks hoorbaar fluitend geluid, gemaakt door de vleugels.
NEST Klein kuiltje, vaak bekleed met dode planten, in open grasland.
VERSPREIDING Van Europa tot W.-China. Ingevoerd in N.-Amerika.