BRUINKOP-PITTA, Pitta sordida cucullata
(ca. 19 cm)
Een zeer groot verspreidingsgebied over India, Birma, Thailand, Maleisie, Borneo, de Philippijnen en Nieuw-Guinea heeft de soort ,,sordida”, waarvan hier exemplaren van het bekendste ras zijn afgebeeld.
Bruinkop-Pitta’s leven in het onderhout op berghellingen en dicht beboste heuvels. De vogels brengen het grootste deel van de dag door met het scharrelen in het vochtige gebladerte dat de bodem bedekt, op zoek naar spinnen, wormen en insekten. Ook worden kleine reptielen en vruchten gegeten.
Vaak zitten ze lange tijd te rusten op een gevallen boomstam of op een met mos bedekte steen. Bij onraad vliegen ze een eindje weg, maar vaak is het al voldoende een paar grote sprongen te maken om in het dichte groen te verdwijnen. Een merkwaardige gewoonte is het om als ze bij een prooi zijn aangekomen eerst een stukje achteruit te springen om deze goed te kunnen bekijken. Ook rekken ze zich hoog op de poten uit om rond te kijken of te luisteren.
In Centraal Nepal en in Darjeeling heeft Hodgson deze vogels broedend aangetroffen in april en mei. Het ligt op de grond, in een bamboestomp en is gemaakt van bamboebladen, twijgjes en plantenstengels, alles stevig door elkaar verweven. De buitenkant is ruw en sterk, de bekleding bestaat uit zachte plantenvenzels. Er worden 4 eitjes gelegd, die glanzend rozewit zijn en rode en bruinpurpreen vlekjes hebben. Wil men Pitta’s in een voliere houden, dan moet die vochtig gehouden en verwarmd worden. De bodem moet met tuinaarde belegd zijn en regelmatig moet een laag oud blad worden uitgestrooid zodat de vogels daarin voedsel kunnen zoeken.