|
|
Home > Dieren > Vogels > reiger > Ralreiger
Ralreiger
Klik hieronder om te zoeken in onze website
 RALREIGER Verspreiding : Zuid-Europa, Z.W.-Azie, en Afrika. Geen ondersoorten. Veldkenmerken : Wat groter dan het woudaapje en door verborgen leven en vliegwijze enigszins gelijkend. Bezit echter meer wit op onderzijde, rug en vleugels, wat bij het vliegen vooral opvalt. Zittend echter een overwegend bleekbruine tot okergele vogel, doch in het prachtkleed zijn de smalle witzwarte sierveren op kop en nek zeer kenmerkend. Desnavel is grijsblauw tot donkergroen met een zwarte punt, De poten zijn geel-groen tot roodachtig tijdens de broedtijd. Jonge vogels zijn op de rug grauwbruin gestreept. De roep : `kerr', op de broedplaats. Biotoop : Moerassen, begroeide vijvers, rivieroevers met veel struiken en bomen. Zoekt bijna steeds de dichtste dekking op. Als voedsel vooral insekten, kikvorsen en kleine vissen Voortplanting : Vanaf ende april tot einde juni en soms later (juli 1960 en 1961 in de Camargue ) 4 tot 6 groendblauwe eieren un een vrij stabiel en imvangrijk takkennest dat verborgen zit in struiken, riet of dichte boomtakken, soms zeer laag, of tot 10-20 m. hoogte, het liefst midden in een kwak- of zilverreiger-kolonie. Beide geslachten bouwen het nest gedurende 6-8 dagen (het mannetje sleept meestal materiaal aan en ook het broedwerk wordt verdeeld, 22 tot 24 dagen lang. Na +_ 32 dagen vligen de jongen uit. Er is slechts 1 broedsel per jaar. Verplaatsingen : Trekvogel die overwegend in tropisch overwintert, na vanaf juli tot september Europa te hebben verlaten. De terugkeer gebeurt vooral in april.
|
|
|