Home > Dieren > Vogels > Sperwer

Sperwer


Klik hieronder om te zoeken in onze website


                   Sperwer
SPERWER
Verspreiding : Europa, Azie en N.-W.-Afrika.

Veldkenmerken : Het blauwgrijs met roestkleurige dwarsbanden en lichte wenkbrauwstreep, zelf wat groter dan een duif. De lange staart en poten de ronde brede vleugels en de typische vlucht met korte rukjes, even zwevend en met plotse wendingen zijn zeer kenmerkend. Tijdens de balts soms zwevend en rondcirkelend, met plotse duik. Nooit ‘biddend’ als de torenvalk. Roep : scherp ‘kig-gig-gig-gik’ bij het nest, overigens zwijgzaam.
Biotoop : Naaldhoutbos met geode decking in de dichte kruinen, ook gemengd bos. Jaagt tussen het kreupelhout, langs hagen in velden en weiland, langs de bosrand, ook in meer gesloten loofbos, parken en nabij dorpen of hoeven (mussenjacht). Als prooien alle kleinere vogels tot duivengrootte (het wijfje), ook wel eens insekten en zelden wat knaagdiren.

Voortplanting : Begin mei meestal 5, vaak 4, zelden 3, uitzonderlijk 2, 6 en 7 (W. 1944 : 120) rond-ovale vuilwitte eieren met zware achajou-bruine vlekken, vaak in kransvorm. Meestal zelfgebouwd vrij klein en plat nest, vaak op de laagste zijtakken van den of spar, eerder laag (3 tot 12 meter hoog) en met dunne naaldhout- of berketakjes vervaardigd. In de nestkom geen groene twijgen als bij de havik, wel soms vele dons- veertjes rondom het nest. Bebroeding = 32-34 dagen door het (ruined) wijfje. Na 26-29 dagen vliegen de jongen uit. Het mannetje brengt prooien aan, die het wijfje ver-deelt.
Verplaatsingen : Is in West-Europa bijna overall standvogel die hoogstens een 100-tal Km. Ver kan rondzwerven.
Levend in bosgebieden en kreupelhout, vangt deze haviksoort vogels (vaak zangvogels) tijdens de vlucht. Meestal laag vliegend, beweegt hij zich behendig met hoge snelheid tussen bomen en struiken, en overrompelt zijn slachtoffers tussen bomen en struiken, en overrompelt zijn slachtoffers na een korte achtervolging.
NEST Los bouesel van takken met middenin een kuiltje, bekleed met kleinere takjes; in een boom.
VERSPREIDING Broedt in bijna heel Eurazie en N.-Afrika. Noordelijke populaties overwinteren tot in N.-Afrika, N.-India en Z.-China.
N. B. Vrouwtjes zijn groter dan mannetjes.