Home > Dieren > Vogels > Tureluur
Tureluur
Klik hieronder om te zoeken in onze website
 TURELUUR Verspreiding : Noord-West, Centraal en Oost-Europa, Centraal Azie en misschien ook in Noord-Afrika. Veldkenmerken : Middelgrote steltloper met bruinachtige bovenzijde, borst en kin, (die vooral 's zomers gestreept zijn), en een witte onderzijde, stuit en vooral een brede witte vleugelstreep. De snavelbasis is rood, de poten zijn rood-oranje, en zelfs geelschtig bij de juvenielen. Roep : 'tju-du-duu', 'tu-juu', enz. zeer kenmerkend, evenals de zang en balts-vlucht met trillende vleugels. De IJslandse ondersoort 'robusta' heeft een donkerder bovenzijde en wat langere vleugels (= 165 mm. en meer). Biotoop : Vooral het vochtig grasland, ook de schorren met lage vegetatie, verder de grazige randen van slijkerige brakwaterplassen en ook de vrij vochtige heide in het binnenland of zelfs sommige hoogvlakten met korte begroeiing : in IJsland tot 100-400 m., in Schtland = 500 m., in Skandinavie plaatselijk nog hoger. Trekkend vooral langs de zeekust en op ondiepe zoutwaterplassen, veel minder talrijk doch vrij regelmatig in het binnenland, langs zoetwaterplassen, enz. Voortplanting : Vanaf half april tot einde juni meestal 4 eieren, minder puntig en meer roodbruin gestippeld dan bij de kievit. Nestkuil steeds vrij diep en meestal zeer goed verstopt in een graspol. Beide partners broedan om beurten, gedurende = 23-24 dagen. De jongen vliegen na = 4 weken. Per jaar 1 broedsel, eventueel ook vervanglegsels. Verplaatsingen : Overwegend trekvogel, plaatselijk standvogel. Hoog op de opten stand en met geheven kop houdt deze alerte weidevogel zijn omgeving gord in de gaten. Hij heeft een schrille alarmroep die ook vaak alle andere vogels in de buurt waarschuwt. Behoudens zijn rode snavel en poten is de vogelop de grond onopvallend door zijn schutkleuren. Tijdens de vlucht is de soort herkenbaar aan de witte stuit en vleugelranden. In de lente leeft hij in weiden, nat grassland en moerassen. Daar worden de jongen opgevoed, en leeft hij van insekten, larven en wormen die van de begroeiing, de grund en uit de bodem gehaald worden. Hij fourageert op een neveuze, schokkerige manier. ’s Winters leeft de tureluur op slikbanken en bij riviermondingen waar hij kleine schelpdieren, en andere beestjes eet. Hij vindt ze op het slik of door zijn lange, spitse snavel in het slik te steken. NEST Met de poten uitgeschraapt kuiltje, gevormd onder lichaamsdruk, bekleed en verstopt in hoog gras en vegetatie. VERSPREIDING Broedt in Ijsland en in Eurazie van de Britse Eilande tot O.-Azie. Overwintert lange de kusten van bijna heel Eurazie, Afrika, India en Z. O.-Azie. |