Home > Dieren > Vogels > Valk > Giervalk

Giervalk


Klik hieronder om te zoeken in onze website


                        GIERVALK       
GIERVALK
Verspreiding : Circumpolaire broedvogel van Noord-Europa, Noord-Azie en Noord-Amerika.
Veldkenmerken : Wat groter dan de slechtvalk en meestal veel bleker, zonder de zwarte ‘knevel’-strepen die slchtvalk en boomvalk op de wangen bezitten. De start is wat langer en de vleugelbasis wat breeder dan bij de slechtvalk. Roet enkel op de broedplaats, een vrij dof ‘kjak-kajk’ (= ‘kek’ bij de slechtvalk).
Biotoop : Open en meestal boomloos landschap in het Hoge Noorden, ook rotsen en klippen langs verlaten zeekusten, afgelegen bergmeren of uitgestrekte berghoogvlakten (bv. de ‘ Doverfjels’ in Noorwegen), zelden ook in het toedra-bos (in Lapland). Als trekvogel liefst in vlakten met wijd uitzicht. Jaagt vooral in volle vlucht maar doodt de prooi op de grond.
Voortplanting : Vanaf einde april (eens op 6-IV in Noorwegen) tot begin juni (in Noord-Groenland) 3of 4 zelden 5 en meer (tot 7-9 tijdens uitzonderlijk gunstige jaren) room-kleurige en vrije ronde eieren, met minder roodbruine vlekken dan bij de slechtvalk, (die ook kleinere eieren legt). De ondiepe nestkuil wordt met wat gras en veren beleged en bevindt zich op een onbereikbare rotsnis en zelden op een hoge den, waar oude nesten van ruigpootbuizerd of raaf worden overgenomen. In Noorwegen meestal 4 en in Groenland gewoonlijk 3 legsels. Elieg gebeurt met 3 dagen tussenpoos en het wijfje broedt veruit meest, vanaf het eerste ei, gedurende = 28-29 dagen. Sommige jaren geen broedsels, andere jaren talrijke nsten, waar veel sneeuwhoenders en lemmingen voorkomen. De gier-vlak jaagt trouwens het meest op vogels, vooral wanneer het nabij een zeevogel- kolonie ligt.
Verplaatsingen : Uitgesproken standvogel die ‘s winters enkel gunstiger voedselgebeiden opzoekt.