Home > Dieren > Vogels > Wespendief
Wespendief
Klik hieronder om te zoeken in onze website
.jpg) WESPENDIEF Verspreiding : Europa en Azie; broedt niet in Afrika. Veldkenmerken : Gelijkt op een buizerd, maar met slanker vleugels, langere start, fijnere en meer uitstekende hals en kop, meer uniforme kleur (vaak bleker)en met dwarsbanden gestreepte buik en vleugels. De start bezit tenslotte 3 zwarte dwarsbanden, waarvande brede witgezoomde op het uitende het best opvalt. Tijdens de balts merkwaardige golf-en duikvluchten waarbij de vleugels boven het lichaam ‘sidderen’ en tegen mekaar worden geklapt. Roep (vooral in juli-augustus) een fluitend ‘pwie-juu’, scherper dan de buizerd-roep. Biotoop : Brosranden of lichtrijk bos (loofhout vooral) met zonnige plekken en humusrijke bodem waar wespen leven. In heuvelland bij voorkeur maar ook tot 1.5000 m. in de Alpen. Jagend vliegt deze sort vaak onder de bomen door of scharrelt op de grond, op zoek naar wespennesten. Eet zelden bijenlarven wel veel insekten, wat kikvorsen en hagedissen (ook bessen !) en een enkel zangvogel of knaagdier (ratten). Voortplanting : In juni, 2 acajoubruin gevlekte, bijna kogelronde eieren, zelden 1, zeer zelden 3 die met 3-5 dagen tussenpoos gelegd worden in een vrij klein, door bebladerde takken vaak slordig nest, dat soms ook op een oud stootvogel- of kraainest wordt aangelegd, op = 9 – 22 m., soms lager in jong loofbos. Nestkom steeds met verse twijgen en bladeren getooid. Bebroeding : 30-tal dagen, meest door het wijfje. De jongen vliegen na 40-tal dagen uit : de nestkom is dan bezaaid met uitgevreten wespenraten. Broedt niet alle jaren, bv. niet in 1949 (W. 1955 : 201). Verplaatsingen : Trekvogel die in tropisch Afrika overwintert, tot in Zuid-Afrika. Deze merkwaardige roofvogel verkrijgt veel van zijn voedsel door wespen- en wilde bijennesten aan te vallen. De vogel volgt de insekten, graaft het nest uit en verscallkt honing, lerven en volwassen insekten. Dichte pootveren en dikke ‘pootschubben’ beschermen de vogel tegen steken. Hij eet ook grotere dieren zoals muizen. Na het broeden vormen de vogels groepjes en trekken ze naar gebieden waar hun prooi het hele jaar actief is. NEST Grote, slordige takkenconstructie, hoog in een boom. VERSPREIDNG Broedt in groot deel van Europa, W.-Siberie en Centr.-Azie. Overwintert tot in Centr.-Afrika. N. B. Vrouwtjes zijn groter dan mannetjes. Kleur varieert van donker tot licht in verschillende varieties (zie p. 13). Het verschil is het duidelijkst aan de onderzijde van de vleugel. |