Aanbrengen = Aanleggen, Aanzetten, Apporteren, Bevestigen, Fixeren, Inrichten, Installeren, Maken, Monteren, Ophangen, Opstellen, Plaatsen, Vastbinden, Vasthechten, Vastmaken, Vastzetten, Zetten, Aangeven, Denuncieren, Klikken, Verklappen, Verklikken, Verlinken, Verraden; Teweegbrengen, Veroorzaken, Voortrengen; Aandragen, Aanvoeren, Bijdragen, Inbrengen; Opgeven