Home > Dieren > Vogels > Meeuw > Kleinste jager

Kleinste Jager


Klik hieronder om te zoeken in onze website


                         KLEINSTE JAGER
KLEINSTE JAGER
Verspreiding : Noorden van Europa, van Azie en van Noord-Amerika.
Veldkenmerken : Slanke roofmeeuw, steeds met smallere vleugels, korter snaveltje en minder wit op de ondervleugel dan bij de kleine jager. Adult met puntige middelste staartpennen die veel langer zijn dan bij de kleine jager. De donkere faze is bij de kleinste jager uiterst zeldzaam (vrij gewoon bij de kleine jager). Vliegt meer sternachtig en wiekelt ook ter plaats als een torenvalk. De roep : 'kriet-kriet' (W. 1958 : 182) is veel scherper dan het katachtig geluid van de kleine jager.
Biotoop : Bewoont alpiene korstmos-zone boven de boomgrens in toendra en boreale gebieden, vaak diep in binnenland : kala rotsvlakten (in Noorwegen tot = 1.300 m.) moerassen in berkewoud of onbegroeide meeroevers. Tijdens de trek vooral in voole zee en soms in grote groepen samen (Argentinie : = 1,500 op 7-XI-1920) maar ook vaak in het binnenland, vooral na 'lemming'-jaren. Jaagt zelden buit af van meeuwen of sternen, vangt meer lemmingen en kleine zoogdieren, vissen, insekten (soms vliegend), jongen en eieren van vogels, enz.
Voortplanting : Vanaf begin juni tot half juli. Meestal 2 eieren. Beide partners broeden vanaf het eerste ei, gedurende = 23 dagen. De jongen vliegen na = 3 weken. Per jaar 1 enkel broedsel.
Verplaatsingen : Trekvogel die vanaf einde juli het broedgebied verlaat om wellicht in volle Atlantische Oceaan te overwinteren.