Home > Dieren > Vogels > Ooievaar > Flamingo

Flamingo


Klik hieronder om te zoeken in onze website


                          flamingo
FLAMINGO
Verspreiding : Zuid-Europa, Westelijk en Azie, Afrika en Centraal- en Zuid-Amerika.
Veldkenmerken : Uiterst grote slanke steltloper met zeer lange, dunne hals en rode poten, rozewit verenkleed en zwarte slagpennen. Een dikke, gestreket hals en lijkt dan roder door de rozerode vleugeldekveren. Juvenielen vuilwit met bruine vleugels. Roep als van een gans : 'kakas', 'ka-honk', enz.
Biotoop : Ondiepe en zeer zoutrijke kustlagunen of zoutmeren in tropische en subtropische gebieden, in warme steppen of woestijnen. Beste voedselvoorwaarden ontstaan bij zeer hoge zoutkoncentratie, wanneer kiezel- of blauwwieren domineren, die op hun beurt voedsel betekenen voor miljarden kleinere week- of schaaldiertjes, insektenlarven, enz. (rooth 1965 : 34). Toch moet er ook minder zout water (zeewater bv.) als drinkwater beschikbaar zijn. Om het gewenste voedsel te bemachtigen filteren de flamingos water en modder met behulp van hun aangepaste zeef-snavel.
Voortplanting : Van april tot begin juni in de Camargue (in Noord-Afrika van half februari tot april), meestal 1, soms 2 (1-2%) witte eieren met kalkvlekken; nest modder-heuveltje in ondiep water; vaak in enorme kolonies (geven de beste broedresultaten). Beide partners broeden om beurt, gedurende 28 tot 32 dagen. Na 3 tot 10 dagen verlaten de grijsbruine donsjongen het nest, worden = 46 dagen door de ouders gevoederd en vliegen na 62 tot 77 dagen. Per jaar 1 broedsel.
Verplaatsingen : Gedeeltelijk stand- en trekvogel die van juli tot oktober kan wegtrekken en van februari tot april terugkeren, op zoek naar de meest geschikte vodselvoorwaarden.